Johannes 14: 23-31a; Jezus belooft de zending van de Heilige Geest


Erschallet, ihr Lieder, erklinget, ihr Saiten! BWV 172

Pinksteren is voor ons de culminatie van die ‘geweldige vijftig dagen’ volgend na de opstanding, een waterscheiding is het die het werk van Jezus op deze aarde completeert en tevens markeert het de komst van de Heilige Geest. 

 

Maar het is toch wel heel treffend dat Pinksteren van origine een feest van agrariërs is, één van die feesten van Kanaän die de Israëlieten overnemen als ze in het beloofde land arriveren. En als Paulus dan spreekt over Christus als over de ‘eerste vrucht’ dan maakt hij in feite een gewetensvolle toespeling op dat joodse feest genaamd Sjavoeot, immers, de eerste vruchten van de nieuwe oogst worden met Pinksteren aangeboden. 

 

Natuurlijk, in Saksen vindt de oogst een paar maanden later plaats als in Palestina, maar dit is niettemin een tijd van toenemend licht en belofte, een uitgelezen moment voor de kerk om te refelecteren op de betekenis van Christus’ incarnatie en het hernieuwen van zijn eeuwenoud verbond. Luther (hij baseert zich op zijn favoriete evangelieschrijver Johannes) lanceert het idee van een Heilige Geest die nieuw leven brengt aan de mensheid en Bach brengt vaak in zijn immers 'seizoensgebonden cantates' allerlei voor-christelijke aspecten en vergeten connecties aan het licht die het verloop van het agrarische jaar weerspiegelen. En nu de zomer nadert komt hij met zuiver optimistische muziek. Het is alsof hij met deze uitbundigheid niet alleen de gaven van een opnieuw ontwakende natuur wil vieren maar ook die miraculeuze ontsteking van de goddelijke Pinkstervonk die mensen in staat stelt om te communiceren buiten hun taalbarrières om.

 

BWV 172 is bedoeld voor Pinksteren 1714 in Weimar. Maar Bach maakt nog minstens drie andere versies van deze cantate, bedoeld voor andere gelegenheden. De librettist van de cantate blijft ongenoemd, maar algemeen wordt aangenomen dat het Salomo Frank is geweest. Dit gezien het ontbreken van vrije recitatieven; het enige recitatief wat in de cantate voorkomt is ontleent aan een letterlijke bijbeltekst.

 

Timpanen en trompetten symboliseren Gods koningsschap in het schitterende openingsdeel. Het bas-recitatief (woorden van Christus) wordt gevolgd door de aria 'Heilige Dreieinigstkeit' met een symbolische instrumentatie (een zeldzame combinatie bij Bach) van drie trompetten, timpanen en basso continuo die de bas-solist begeleiden. Zijn vocale figuren zijn geheel afgeleid uit die van de heraldische trompetpartij. Na het zwaarwichtige van deze aria lijkt de delicate tenor-aria 'O Seelenparadies' (4) met dat kalme waaien van unisono strijkers losgemaakt te zijn van die krachtige ernst. Wat hier wordt verbeeld is een dromerige evocatie van een paradijs voor zielen, de adem van Gods geest is voelbaar aanwezig. Nee, het is zeker niet zozeer een sterke Pinksterwind die we hier horen maar eerder is dit het moment dat God in Adam’s neusgaten de adem des levens blaast. En de cantate die zo groots begon met een feestelijk, in het openbaar gezongen openingskoor wordt steeds persoonlijker in de zich evoluerende relatie van God met de mens; de Heilige Geest die ronddwaalt en leiding geeft binnen de ziel van de gelovige.

 

De Trooster, aangekondigd door de tenor heeft zich nu met de ziel neergelegd en hun dialoog (5) is beeldend vervat in een erotisch/piëtistische taal. Het is een hoogst overladen, sensueel muziekstuk waarin de beide stemmen verstrengeld zijn boven een obligate cellopartij maar waaraan nog even een vierde stem wordt toegevoegd waarin - maar dat is slechts voor de zeer oplettende luisteraar - het Pinksterkoraal 'Komm heiliger Geist' herkent kan worden.

 

 

Tot zover deze beschouwing die zeker niet alleen van mijzelf is, dat kan niet gezien de schrijfstijl. Maar van wie deze tekst dan wel is, het is me ontschoten, ik kom daar nog een keer achter. Wat de cantate betreft, lang niet alles vind ik mooi. De bas-aria wordt bij Leonhardt volledig overstemd door de trompet. En het duet tussen de twee mannen, het zal opzienbarend geweest zijn destijds, maar ik vindt het nogal gekunseld aandoen.

 

Er zijn inmiddels twee versies van deze cantate met The Monteverdi Choir/ The English Baroque soloists (en John Eliot Gardiner natuurlijk) maar die eerste dat is de topuitvoering. Niet eerder is de tenor-aria 'O Seelenparadies' opgevallen maar wat wordt die prachtig gezongen door Christoph Genz. Daarna horen we vrouw-vrouw en/of man-vrouw in het duet. Bij de tweede uitvoering klinkt dat zeer teleurstellend nl. een zeer ‘geknepen’ stem waarbij ik er maar niet achter kom of we hier met Nathalie Stutzmann van doen hebben of met Derek Lee Ragin. Bij Rilling bestaat geen onzekerheid over een gelijkgeslachtelijk of een gemengd samenzijn, hier zijn twee vrouwen aan het woord en het klinkt heerlijk met dat orgeltje erbij. En dat koor zingt ook zo uitgelaten! Er komt nu twijfel welke de mooiste is. Dat is vaak zo.

 

 

Derek Lee Ragin


O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe BWV 34

Het is een vrij laat werk wat we hier horen. Uit 1746 stamt deze cantate maar toch ook weer niet want hier is dan opnieuw een parodie van een eerder geschreven werk. Het origineel was bedoeld ter opluistering van een huwelijk van een edelman, het dateert uit 1726. Eigenlijk zijn het de mooiste cantates, die parodieën en deze is wel erg geslaagd. Het feest wat huwelijk heet transformeert zich blijkbaar moeiteloos naar het pinkstergebeuren. Spiritueel en vurig, wat valt er nog meer te wensen? 

Het introductiekoor ontleent zijn beide muzikale thema’s aan de begrippen ‘eeuwig’ en 'vuur’ en zo staat het ook in de originele tekst waarbij het nog over het huwelijk gaat. Het (voor Bach nogal ongewone) gebruik van pauken en trompetten domineert het zeer overrompelende klankbeeld van dit openingsdeel. Energiek en stormachtig is het alles en het koor gaat er in mee. Als contrast daarmee wordt de enige aria die in de cantate voorkomt (3) volledig gekarakteriseerd door het beeld van de ‘Goede Herder’. Daar waar eerst de edelman-bruidegom model stond is nu diens plaats ingenomen door Jezus. En het slotdeel is overweldigend in zijn roep (afkomstig uit de psalmen) om ‘vrede voor Israel’ met een alweer ongewoon heftige orkestpartij die al snel het koor meeneemt in een uitbundig pulserend allegro met een finale vreugderoep van de sopranen op een hoge B waarmee deze pinkstercantate tot een werkelijk glorieus einde gebracht wordt. 

 


De kennismaking met deze korte cantate verloopt via Harnoncourt. Ach..... Zowel de dun gezongen opening als het slot vind ik aanvankelijk een 'gejaagd geschetter' met de bekende trompetten zoals we die bij Harnoncourt gewend zijn. Ook klanktechnisch niet echt jofel. Maar dan; hierop volgt één van de mooiste aria's uit de hele cantatecyclus nl. die voor de alt. Wat prachtig, vooral door die simpele blokfluit daarbij. Werkelijk een hemel op aarde. 

Maarten 't Hart kent BWV 34 door de uitvoering van Werner die ik zelf pas veel later zal aanschaffen. En de alt-aria kent hij al eerder omdat hij 34 op zondagmorgen in alle vroegte op een keer voor de Duitse radio heeft gehoord:

 

‘Met mijn oor dicht tegen de luidspreker aan om maar niets te hoeven missen van datgene wat zich nauwelijks boven de ruis verheft. Stel: je kent het hele oeuvre van Bach, maar je hebt nog nooit de alt-aria uit cantate 34 beluisterd. Hoe zou je dan reageren als je die muziek voor het eerst zou horen? Zou je dan denken: dit is het allermooiste dat Bach ooit gecomponeerd heeft?’ 

Alec Robertson zegt in zijn boek over de cantates: 'This is arguably the most beautiful aria Bach ever composed'. Je kunt je afvragen: waarom eigenlijk? Vanwege die sublieme harmonisatie: liggende tonica, none-akkoorden? Vanwege die repeteernoten halverwege? Vanwege die prachtige instrumentale fluit, die viool? Vanwege de superieure melodie? Maar 't zijn gewoon secundestapje omhoog en omlaag, net als in dat andere onvatbare wonder, de tweede bas-aria uit cantate 82, je zou 't haast zelf bedacht kunnen hebben. Hoe eigenaardig dat in feite op geen enkele manier te begrijpen valt waarom deze muziek zelfs in 't oeuvre van Bach een onvatbaar wonder is.

 

Maarten schrijft verder dat Rilling de schoonheid van deze aria blijkbaar wil verheimelijken en dat je veel beter bij Karl Richter terecht kan. Dat is ook zo maar er bestaat ook een versie door The Monteverdi Choir/The English Baroque soloists en dat is wat mij betreft de mooiste uitvoering, de Archiv opname bedoel ik. Natuurlijk is die alt-aria wonderschoon, hier gezongen door de grote Bernarda Fink (mooier dan de Magdalena Kožená-versie op een verzamel-CD) maar ook het koor is hier geweldig! John Eliot Gardener is de enige die dit kan. Hier lijkt dit steeds maar voortstuwende koor bij vlagen zich werkelijk los te zingen van deze aarde en wij met hen. Nee, ik denk niet dat er veel fonografische producten bestaan die zich hiermee kunnen meten. Ik vind deze uitvoering zo mooi, en wel de cantate in z'n geheel dat hij mij op een idee brengt van een lijst met topstukken, daar komt deze als eerste in.

 

Luister naar de alt-aria en lees de beschouwing van Maarten 't Hart hiernaast over de teksten die Bach inspireerden. Of niet inspireerden.

 

Wer mich liebet, der wird mein Wort halten BWV 59

Een cantate voor de eerste Pinksterdag, hoogstwaarschijnlijk die van het jaar 1723. Bach is zojuist in Leipzig begonnen.

Wat ik gemeld heb over BWV 58, dat het stuk de afgelopen 5 jaar in Nederland in het geheel niet is uitgevoerd, dat geldt ook voor deze cantate. Zegt dat iets? Ja. 


Ook is deze cantate nogal ongewoon. De meeste van Bach's cantates voor de kerk eindigen met een koraal. En in de meeste gevallen correspondeert deze met het openingsdeel van de cantate. Cantates zonder koraal zijn meestal werken voor één stem (of er is een dialoog) met daarbij slechts instrumentale begeleiding. Als we dit als een regel beschouwen dan is deze pinkstercantate hierop een uitzondering. De opening houdt het midden tussen een Italiaans kamerduet en een feestelijk concertstuk. De instrumentatie is nogal beheerst, ingehouden. Er zijn geen houtblazers, er zijn twee trompetten in plaats van drie zoals gebruikelijk en een koor ontbreekt. 


Waarschijnlijk houdt dit alles verband met de uitvoering. Die was niet in de Thomaskirche, zeer waarschijnlijk heeft deze uitvoering plaatsgevonden in de kerk van de Universiteit van Leipzig. En dat verklaart veel want dan heeft Bach zichzelf beperkingen opgelegd, de universiteit beschikt - althans op muzikaal gebied - over meer bescheiden talenten. 


In de opening horen we vier keer het bijbelcitaat in de vorm van een canon aan ons voorbijtrekken. Horen we het voor de vijfde keer dan wordt het ons homofoon voorgesteld wat de instrumenten in staat stelt om niet langer zo terughoudend te zijn. Met wat meer majesteit worden hier de woorden van de Verlosser met wat extra glans omgeven. 


Hierna volgt een door strijkers begeleid sopraan-recitatief (2) met een arioso wat eindigt als de tekst spreekt van

 

‘ihn ein jeder lieben sollte’. 


En dan is het vreemd om vervolgens op dit punt (3) een koraal te horen. Het is een pinksterhymne van Luther en het klinkt dankzij onafhankelijk partijen van viool én altviool bedrieglijk weelderig en vol. We denken nu allemaal dat de cantate hier eindigt.


Maar daarna volgt de slotaria van de bas die spreekt over het ‘inhuizen’ van God in het menselijk hart. 

Is dit dan het einde? 

Een opschrift ‘chorale segue’ geeft ons geen enkele duidelijke aanwijzing wat Bach bedoelt. Een herhaling van het koraal? De derde strofe van dat koraal? Iets geheel anders? De meeste uitvoeringen kiezen voor die tweede optie. Alleen Rilling stopt hier. 

Bach vindt dit werk blijkbaar zo onbevredigend dat hij het een jaar later bewerkt tot wat dan cantate BWV 74 zal worden. Althans, hij gebruikt andere teksten en hij bewerkt het beginduet en de bas-aria. Gillies Whittaker schudt zijn hoofd over het feit dat Bach die aria voor bas en viool opnieuw gebruikt, nu met een andere tekst voor sopraan en hobo. In dit geval heeft Whittaker ongelijk, dit alles past die nieuwe - ietwat geëxalteerde - woorden juist heel goed. Het is dan een prachtige aria geworden. 

 


BWV 59 is echter een naar mijn mening een nogal onbeduidende cantate, die in geen enkele uitvoering echt enerverend wordt. De meest ongelukkige kennismaking met deze cantate verloopt via Harnoncourt, Nehmet brengt het er iets beter van af. Er zijn ook twee versies door The Monteverdi Choir/The English Baroque soloists, mogelijk is de latere opname favoriet. Bij deze uitvoeringen is - als altijd bij Gardiner - het koor werkelijk prachtig. En eigenlijk is die wat dik aangezette klank bij Rilling ook wel geschikt om deze cantate iets meer kleur te geven. 

Maar het is wellicht een idee om BWV 59 over te slaan en direct te gaan luisteren naar BWV 74. Daar krijgen we dan ook een werkelijk heerlijke tenor-aria bij.

 

En voor wie geïnteresseerd is in de statistiek; cantate 74 wordt wél gespeeld in ons land, de afgelopen vijf jaar was dat 5 of 6 keer. 

 


Wer mich liebet, der wird mein Wort halten BWV 74

Zoals zo vaak put Bach als Thomaskantor uit eerder werk wat hij vervolgens gaat herschrijven. Voor de Pinksterzondag 1725 neemt hij delen over van de hierboven besproken cantate BWV 59 die met Pinksteren 1724 is uitgevoerd maar die een jaar eerder is gecomponeerd, reeds voor Bach’s aanstelling als Thomaskantor in 1723. Het lijkt er op dat die oorspronkelijke cantate bedoeld is geweest voor een uitvoering in de (kleine) universiteitskerk st. Pauli. Voor een grote feestdag in de Thomaskerk zou Bach beslist veel groter uitpakken.

 

Bach wil nu, twee jaar later, enkele onderdelen opnieuw gebruiken en er dan toch een feestcantate van maken. Hij verdubbelt het aantal onderdelen tot acht, hij verdubbelt het aantal solisten tot vier en qua instrumentale bezetting komen er drie hobo’s bij, pauken ook en natuurlijk een extra trompet. 

 

Dat hij deel 1 en 4 uit cantate 59 overneemt hoeven we niet als een werkbesparing te zien. Het is, als zo vaak met Bach’s revisies, juist zeer arbeidsintensief wat hij hier doet. Wel kunnen we zien aan de wijze waarop hij de partijen uitschrijft dat het in grote haast geschreven is. Met drie Pinksterdagen voor de deur die allen om een cantate vragen is dit een drukke periode. 

 

Het introductieduet wordt uitgebreid tot een koorwerk met een groot, feestelijk orkest. Een Jauchzet-Frohlocket-achtig begin, noem ik het maar even. En daarna maakt Bach een bewerking van het oorspronkelijke slotdeel, de bas-aria. Hij transpo-neert deze naar F en vervangt de soloviool door een hobo en de bas door een sopraanstem. Hij vermindert het registerverschil tussen vocale solist en begeleidingsinstrument maar hij keert de ligging om. Daarmee wordt het karakter van deze triosonate wat intiemer. Het is in feite met al deze ingrepen een heel ander stuk geworden.

 

Tot zover het overnamebeleid uit cantate 59. Wat nu volgt heeft toch wel een heel ander karakter. De bas-aria moet welhaast de stem van Christus verbeelden. En de daarop volgende tenor-aria is bijna programmamuziek. Een stuk zoals dit kan eigenlijk alleen met een vierstemmig strijkorkest worden omgeven en dat gebeurt hier dus ook en wel op zeer beeldende wijze. Haast wordt uitgebeeld in snelle coloraturen in de zangstem, het gaan en komen van Christus wordt uitgebeeld door stijgende en dalende lijnen, motieven ontleent aan die voorafgaande bas-aria waar ook al sprake was van gaan en komen ('Ich gehe hin- und komme wieder').

 

En dan volgt de alt-aria, een virtuoos en opwindend stuk muziek waarin de aanval van Satan door heftige intervallen en syncopen wordt verbeeldt. Een scherp contrast daarmee vormt het slotdeel, een destijds zeer populair Pinksterkoraal van Paul Gerhardt ‘Gott Vater, sende deinen Geist’ wat op een sobere en intieme wijze uitdrukking geeft aan 't geloof maar desalniettemin; het is in feite de melodie van een anoniem straatliedje. Doorgaans treden hier alle instrumentalisten nog even aan om alle koorpartijen te versterken maar dit keer laat Bach dit alles achterwege. Wellicht moeten wij niet al te triomfalistisch zijn over het Pinksterfeest? 

 

Hoe dan ook; dit is een prachtige cantate als geheel. Echt wat het moet zijn met veel afwisseling, heerlijke, opwindende muziek. Zou er een pronkjuweel in voorkomen dan kreeg hij een plaats in mijn persoonlijke cantate top tien. Of moeten we misschien de Gardiner-versie van de tenor-aria als pronkjuweel beschouwen? De latere versie uit de Cantata Pilgrimage verdient die status zonder twijfel, dankzij de sopraan-aria door Lisa Larsson met een werkelijk prachtige hobo. Wat een heerlijk vlot en tegelijk rustig tempo in deze aria. En even later is daar Christoph Genz met zijn tenor-aria, indringend gezongen, werkelijk schitterend in dit zeer hoge tempo. En och, wat jammer dan, alles wordt vervolgens tenietgedaan door die bijzonder vreemde mannelijke alt in deze opname. Meelijwekkend gesnater is het. Of druk ik me nu te fors uit? Neen.

 


Ewiges Feuer? De inspiratie van Johann Sebastian Bach

door Maarten 't Hart

 

 

Alfred Dürr zegt in zijn standaardwerk over de cantates: ’Terecht wordt de alt-aria uit BWV 34 tot de meest geslaagde ingevingen van Bach gerekend’. De tekst van deze aria luidt:

 

Wohl euch, ihr auserwählten Seelen,

Die Gott zur Wohnung ausersehn.

Wer kann ein größer Heil erwählen?

Wer kann des Segens Menge zählen?

Und dieses ist vom Herrn geschehn.

 

Geen bijzondere tekst, en de laatste regel is een echte dooddoener, werd alleen maar toegevoegd vanwege dat woord ’geschehn’ dat op ’ausersehn’ moest rijmen. Maar je zou ook kunnen veronder-stellen dat Bach geïnspireerd werd door de uitverkoren zielen, en in deze aria een beeld heeft gegeven van de hemelse zaligheid, van het eeuwige Jerusalem. Helaas, dat kan niet het geval zijn, want deze aria figureerde oorspronkelijk in een cantate ter gelegenheid van de bruiloft van een dominee. En deze trouwlustige dominee werd door een gemeente-lid aldus toegezongen:

 

Wohl euch, ihr auserwählten Schafe,

Die ein getreuer Jacob liebt.

Sein Lohn wird dort am grössten werden,

Den ihm der Herr bereits auf Erden

Durch seiner Rahel Anmut gibt.

 

De tekstdichter van cantate 34 heeft dus heel handig een tekst vervaardigd met hetzelfde ritme, dezelfde hoeveelheid woorden als de tekst van de aria uit de bruiloftscantate. Dat moest ook wel want dan kon Bach netjes zijn muziek uit die bruiloftscantate overnemen in de pinkstercantate nummer 34. Zo geschiedde, en aldus ontstond een van de onvergan-kelijkste stukken muziek die Bach componeerde op een lompe tekst over een ’getreuer’ dominee die met een vrouw beloond wordt. Hoe volstrekt ondoorgrondelijk en onbegrijpelijk zijn toch de wegen van een genie. Hoe kan het zijn dat een componist, geïnspireerd door zo’n tekst, een aria schrijft die naar mijn smaak, tezamen met de tenor-aria’s uit cantate 85 en 87, en de alt-aria uit cantate 117, en de sopraan-aria’s uit de cantate 149 en cantate 151, tot het allermooiste behoort wat Bach ooit heeft gecomponeerd? Maar wie de teksten uit cantate 85, 87, 117 en 149 bekijkt kan al evenmin begrijpen waarom juist deze teksten Bach inspireerden tot het beste dat hij te geven had. (Voor de tekst van cantate 151 geldt dat minder.) De conclusie kan alleen maar zijn dat de tekst er kennelijk weinig toe deed, en dat Bach zijn ingevingen kreeg, onafhankelijk van de tekst die hij onder handen had. Dat geldt soms ook bij Mozart, bij Schubert, bij Verdi, maar bij hen is de afgrond die er gaapt tussen de kwaliteit van de muziek en de kwaliteit van de tekst toch nooit zo groot als bij Bach. Wie dan ook de teksten bestudeert die Bach inspireerden, eindigt met alleen nog maar veel grotere bewondering voor de ongelofelijke genialiteit van Bach, met daarbij de ontnuchterende kanttekening dat enig literair gevoel in die genialiteit kennelijk niet besloten lag.