De cantates van Johann Sebastian Bach


Voor de zeventiende zondag na Trinitatis

Bringet dem Herrn Ehre seines Namens BWV 148



Een cantate voor de 19e september 1723 (mogelijk 1725)

 

Op deze gewone septemberzondag wordt er gelezen uit het evangelie van Lucas (14: 1-11) waar we vernemen hoe Jezus op de Sabbat een aan waterzucht (oedeem) lijdende man geneest. Er volgt dan een dispuut met joodse schriftgeleerden over de vraag of men op de Sabbat wel goede werken mag verrichten. Dat zou strijdig zijn met de zondagsheiliging. Jezus toont zich een vrijzinnig mens in deze discussie. 

 

De cantate heeft niet alleen als onderwerp de heiligheid van de sabbat maar ook de vreugde van de christen om die te beleven. Dat verklaart wellicht de nogal feestelijke bezetting; drie hobo’s, trompet, strijkers en continuo, dit alles is toch wel ongewoon rijk voor een gewone septemberzondag.

 

Na een korte sinfonia volgt de entree van het koor met een korte homofone passage, gevolgd door een fuga met dit keer twee exposities. Deze zijn qua thematiek ontleend aan de sinfonia en op die manier zijn ze cruciaal om een eenheid aan dit eerste deel te geven. Gedurende de fuga worden de vier vocale lijnen uitgebreid tot vijf door toevoeging - hoog daarbovenuit - van de trompet. Zo komen we tot twee vijfstemmige koorfuga’s die direct op elkaar aansluiten en waarin we teksten herkennen uit Psalm 29: 2:

 

“Bringet dem Herrn Ehre seines Namens” en “betet an den Herrn im heiligen Schmuck”

 

Wat zoveel wil zeggen als dat we bij de Here moeten verschijnen in onze mooiste kleren. Na deze twee centrale fuga's klinkt opnieuw de instrumentale sinfonia, een herhaling van wat we eerder hoorden, maar als Bach nu zijn koor daaraan toevoegt lijkt hij toe te werken naar een indrukwekkend slot. Hij doet dat niet. Twee maten te weinig gecomponeerd, volgens John Eliot Gardiner. Hij oppert de mogelijkheid dat op dit punt aangekomen Anna Magdalena tussenbeide komt, zij roept hem vanuit de keuken; de lunch staat op tafel en de soep wordt koud. We weten het niet, het is een plausibele verklaring.

 

Hierna volgt een tenor-aria (2) met daarbij een obligate viool. Die vreugdevolle haast van de violist die maar doorgaat zonder enige rust van start tot finish is misschien wel ontleend aan Bach’s eigen wekelijkse spurt, zondagochtend, dwars door de stad Leipzig, van st. Thomas naar st. Nicholas en andersom.

 

Een volkomen contrast daarmee vormt het nu volgende begeleid recitatief. Rust, contemplatie en sereniteit. Een stemming die verder uitgewerkt wordt in de daarop volgende aria (4) met begeleiding van twee oboe d’amore, een oboe da caccia en continuo. Een ongewoon stuk is dat, vooral omdat het continuo steeds zwijgt wanneer de alt begint te zingen; een pauzerende basso continuo symboliseert bij Bach veelal het verlies van vaste grond onder de voeten, denk aan de Aus Liebe-aria uit de Matthäus-Passion, denk aan het opstijgen van Jezus in het Himmelfahrtsoratorium. Ook hier lijkt de vrome alt, als ze de mystieke eenheid met God zoekt, de aarde te ontstijgen. En ook hier zou het die betekenis kunnen hebben; de wens om aan de zwaartekracht van de aarde te kunnen ontsnappen wordt ermee uitgedrukt. Later, in de B-sectie van deze aria, worden de melodische contouren onderbroken met steeds een kleine rust, het zuchten, kreunen, dat vluchtige idee van kerkelijk gesanctioneerde erotiek die we ook elders wel aantreffen als de ziel als bruid en Jezus als bruidegom elkaar vinden.

 

“Ik in u, Gij in mij”

 

Een verder hunkeren naar eeuwige vereniging volgt daarna in het tenor-recitatief. En dan moet natuurlijk een koraal volgen en dat komt er ook maar het blijft onduidelijk welk koraal dat zou moeten zijn. Het is ons slechts overgeleverd zonder tekst en dus zijn er meerdere mogelijkheden voor wat betreft een passend substituut. Daarmee eindigt deze cantate die slechts soli voor alt en tenor bevat. Wellicht heeft er een tweede cantate bestaan voor deze zondag, met soli voor sopraan en bas, voor na de preek.

 

Wat te zeggen van BWV 148. De cantate kan natuurlijk - als je 147 gehoord hebt - niet daarmee concurreren. Maar bij nader inzien; een mooie tenor (Peter Schreier bijvoorbeeld) en een mooie oboe da caccia maken veel goed. De alt-aria vraagt om een vrouwelijke alt. Dat kunnen we horen we bij Rilling.

 

Een mooie uitvoering - live - valt te beluisteren op 27 september 2009. We kunnen dan terecht in de Lutherse Kerk aan het Spui (Amsterdam) waar barokensemble de Swaen aantreedt met wat nieuwe gezichten daarbij. Tenor Robert Bucklandt is prachtig kunnen we wel zeggen, en in de alt-aria zijn het vooral de hobo's die het hem doen. Ik denk dat het toch voornamelijk Lucas van Helsdingen is die dit alles naar een hoger plan voert. Jawel, Lucas is absoluut de sterspeler van de Swaen.

 

Bron; John Eliot Gardiner

 

 

Elke week een cantate, elke week een nieuwe compositie. Dat is wat er wordt verwacht van de Thomaskantor in Leipzig. De teksten die vastgesteld zijn voor de zondagen van het kerkelijk jaar dienen het uitgangspunt te zijn. Vanaf 1723 is Johann Sebastian Bach Thomaskantor in Leipzig.

 

Elke week een cantate van Bach beluisteren, dat is wat wij kunnen doen en het is een mooi begin van de zondag.


Cantate - Letterlijk: zangstuk (Ital. van cantatere = zingen). Compositie op geestelijke of wereldlijke tekst voor een of meer solisten met of zonder koor. Bestaat uit meerdere onderdelen zoals recitatieven, aria's, duetten, koralen en koren. 


Eisenach (1685-1695)

 

 

Bach werd geboren op 21 maart 1685 te Eisenach in de huidige Duitse deelstaat Thüringen als telg van een oud muzikaal geslacht (over 7 generaties telde het meer dan 120 musici). Hij werd gedoopt op 23 maart in de Sankt Georgenkirche, gelegen op het centrale stadsplein van Eisenach waaraan ook het stadskasteel van de vorsten van Sachsen-Eisenach is gelegen. Als tweede naam kreeg de dopeling de naam van zijn peetoom, Sebastian Nagel, stadsblazer uit Gotha. Hij kreeg al op zeer jonge leeftijd van zijn vader Johann Ambrosius Bach vioolles. Op negenjarige leeftijd werd hij wees en kwam hij terecht in het gezin van zijn oudste broer Johann Christoph Bach III, die kerkorganist was in het stadje Ohrdruf.

 

 

Naar Ohrdruf en Lüneburg>>>

 

 

 

 

 



     1 Wie schön leuchtet der Morgenstern

    2  Ach Gott, vom Himmel sieh darein

    3  Ach Gott, wie manches Herzeleid

    4  Christ lag in Todesbanden

    5  Wo soll ich fliehen hin

    6  Bleib bei uns, denn es wil Abend werden

    7  Christ unser Herr zum Jordan Kam

    8  Liebster Gott, wann werd ich sterben

    9  Es ist das Heil uns kommen her

  10  Meine Seel erhebt den Herren

  11  Lobet Gott in seinen Reichen

  12  Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen

  13  Meine Seufzer, meine Tränen

  14  Wär Gott nicht mit uns diese Zeit

  15  is niet van Bach

  16  Herr Gott, dich loben wir

  17  Wer Dank opfert, der preiset mich

  18  Gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt

  19  Es erhub sich ein Streit

  20  O Ewigkeit, du Donnerwort

  21  Ich hatte viel Bekümmernis

  22  Jesus nahm zu sich die Zwölfe

  23  Du wahrer Gott und Davids Sohn

  24  Ein ungefärbt Gemüte

  25  Es ist nichts Gesundes an meinem Leibe

  26  Ach wie flüchtig, ach wie nichtig

  27  Wer weiss, wie nahe mir mein Ende

  28  Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende

  29  Wir danken dir, Gott, wir danken dir

  30  Freue dich, erlöste Schar

  31  Der Himmel lacht! Die Erde jubilieret

  32  Liebster Jesu, mein Verlangen

  33  Allein zu dir, Herr Jesu Christ

  34  O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe

  35  Geist und Seele wird verwirret

  36  Schwingt freudig euch empor

  37  Wer da gläubet und getauft wird

  38  Aus tiefer Not schrei ich zu dir

  39  Bring den Hungrichen dein Brot

  40  Darzu ist erschienen der Sohn Gottes

  41  Jesu, nun sei gepreiset

  42  Am Abend aber desselbigen Sabbats

  43  Gott fähret auf mit Jauchzen

  44  Sie werden euch in den Bann tun

  45  Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist

  46  Schauet doch und sehet, ob irgendein Schmerz sei

  47  Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden

  48  Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen

  49  Ich geh' und suche mit Verlangen

  50  Nun ist das Heil und die Kraft

  51  Jauchzet Gott in allen Landen

  52  Falsche Welt, dir trau ich nicht

  53  is niet van Bach

  54  Wiederstehe doch der Sünde

  55  Ich armer Mensch, ich Sündenknecht

  56  Ich will den Kreuzstab gerne tragen

  57  Selig ist der Mann

  58  Ach Gott, wie manches Herzeleid

  59  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  60  O Ewigkeit, o Donnerwort

  61  Nun komm der Heiden Heiland

  62  Nun komm der Heiden Heiland

  63  Christen ätzet diesen Tag

  64  Sehet welch ein Liebe hat uns der vater erzeiget

  65  Sie werden aus Saba alle kommen

  66  Erfreut euch, ihr Herzen

  67  Halt im Gedächtnis Jesum Christ

  68  Also hat Gott die Welt geliebt

  69  Lobe den Herrn, meine Seele

  70  Wachet! betet! betet! wachet!

  71  Gott ist mein König

  72  Alles nur nach Gottes Willen

  73  Herr, wie du willt

  74  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  75  Die Elenden sollen essen

  76  Die Himmel Erzählen die Ehre Gottes

  77  Du sollt Gott, deinen Herren, lieben

  78  Jesu der du meine Seele

  79  Gott der Herr ist Sonn und Schild

  80  Ein feste Burch ist unser Gott

  81  Jesus schläft, was soll ich hoffen?

  82  Ich habe genung!

  83  Erfreute Zeit im neuen Bunde 

  84  Ich bin vergnügt mit meinem Glücke

  85  Ich bin ein guter Hirt

  86  Wahrlich, wahrlich, ich sage euch

  87  Bisher habt ihr nichts gebeten in meinem Namen

  88  Siehe, ich wil viel Fischer aussenden

  89  Was soll ich aus dir machen, Ephraim

  90  Es reisset euch ein schrecklich Ende

  91  Gelobet seist du, Jesu Christ

  92  Ich hab in Gottes Herz und Sinn

  93  Wer nur der lieben Gott lässt walten

  94  Was frag ich nach der Welt

  95  Christus, der ist mein Leben

  96  Herr Christ, der einge Gottessohn

  97  In allen meinen Taten

  98  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

  99  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

100  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

101  Nimm von uns, Herr, du Treuer Gott

102  Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben

103  Ihr werdet weinen uns heulen

104  Du Hirte Israel, höre

105  Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht

106  Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit

107  Was wilst du dich betrüben

108  Es ist euch gut, das ich hingehe

109  Ich glaube, lieber Herr

110  Unser Mund sei voll Lachens

111  Was mein gott will, das gscheh allzeit

112  Der Herr ist mein getreuer Hirt

113  Herr Jesu Christ, du höchstes Gut

114  Ach lieben Christen, seid getrost

115  Mache dich, mein Geist, bereit

116  Du Friedefürst, Herr Jesu Christ

117  Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut

118  O Jesu Christ, meins Lebens Licht

119  Preise, Jerusalem, den Herrn 

120  Gott, man lobet dich in der Stille

121  Christum wir sollen loben schon

122  Das neugeborne Kindelein

123  Liebster Immanuel, Herzog der Frommen

124  Meinen Jesum laß ich nicht

125  Mit Fried und Freud ich fahr dahin

126  Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort

127  Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott

128  Auf Christi Himmelfahrt allein

129  Gelobet sei der Herr, mein Gott

130  Herr Gott, dich loben alle wir

131  Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir

132  Bereitet die Wege, bereitet die Bahn

133  Ich freue mich in dir

134  Ein Herz, das seinen Jesum lebend weiß 

135  Ach Herr, mich armen Sünder

136  Erforsche mich, Gott, und erfahre mein Herz

137  Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren

138  Warum betrübst du dich, mein Herz

139  Wohl dem, der sich auf seinen Gott

140  Wachet auf, ruft uns die Stimme

141  is niet van Bach

142  ook niet

143  Lobe den Herrn, meine Seele 

144  Nimm, was dein ist, und gehe hin

145  Ich lebe, mein Herze, zu deinem Ergötzen

146  Wir müssen durch viel Trübsal

147  Herz und Mund und Tat und Leben

148  Bringet dem Herrn Ehre seines Namens 

149  Man singet mit Freuden vom Sieg

150  Nach dir, Herr, verlanget mich

151  Süßer Trost, mein Jesus kömmt

152  Tritt auf die Glaubensbahn 

153  Schau, lieber Gott, wie meine Feind 

154  Mein liebster Jesus ist verloren

155  Mein Gott, wie lang, ach lange

156  Ich steh mit einem Fuß im Grabe

157  Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn

158  Der Friede sei mit dir

159  Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem

160  Is niet van Bach

161  Komm, du süße Todesstunde

162  Ach! ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe

163  Nur jedem das Seine 

164  Ihr, die ihr euch von Christo nennet

165  O heilges Geist- und Wasserbad 

166  Wo gehest du hin?

167  Ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe

168  Tue Rechnung! Donnerwort

169  Gott soll allein mein Herze haben

170  Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust

171  Gott, wie dein Name, so ist auch dein Ruhm 

172  Erschallet, ihr Lieder, erklinget, ihr Saiten!

173  Erhöhtes Fleisch und Blut

174  Ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte

175  Er rufet seinen Schafen mit Namen

176  Es ist ein trotzig und verzagt Ding

177  Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ 

178  Wo Gott der Herr nicht bei uns hält

179  Siehe zu, daß deine Gottesfurcht nicht Heuchelei sei

180  Schmücke dich, o liebe Seele

181  Leichtgesinnte Flattergeister

182  Himmelskönig, sei willkommen

183  Sie werden euch in den Bann tun

184  Erwünschtes Freudenlicht

185  Barmherziges Herze der ewigen Liebe 

186  Ärgre dich, o Seele, nicht

187  Es wartet alles auf dich

188  Ich habe meine Zuversicht

189  is niet van Bach

190  Singet dem Herrn ein neues Lied 

191  Gloria in excelsis Deo

192  Nun danket alle Gott 

193  Ihr Tore (Pforten) zu Zion 

194  Höchsterwünschtes Freudenfest

195  Dem Gerechten muß das Licht

196  Der Herr denket an uns 

197  Gott ist unsre Zuversicht

198  Laß Fürstin, laß noch einen Strahl

199  Mein Herze schwimmt im Blut

200 Bekennen will ich seinen Namen

Ziehier het alles omvattend overzicht van de kerkelijke cantates van Johann Sebastian Bach