De cantates van Johann Sebastian Bach


Voor Trinitatis dan wel Drievuldigheidszondag

Höchsterwünschtes Freudenfest           BWV 194



Deze Leipziger cantate is gebaseerd op een seculier origineel uit Bach’s periode in Köthen. Van die oorspronkelijke cantate resteren slechts drie hobo- en strijkerspartijen en ook de teksten ontbreken zodat deze als verloren moeten worden beschouwt. Hoe dan ook, het wereldse origineel heeft diepe sporen nagelaten op deze Leipziger versie. De cantate heeft namelijk alle kenmerken van een orkestsuite: de aria's hebben een dansritme en het openingskoor is in feite een Franse ouverture. Hoezo kerkmuziek?

 

Bach schrijft (misschien kunnen we beter zeggen bewerkt) deze kolossale dubbelcantate in 1723 voor de inwijding van een orgel in het dorpje Störmthal. Het is een feestelijke cantate maar dan toch met bescheiden middelen. Het orkest omvat, naast strijkers en continuo slechts drie hobo's. Maar het is wel een ongewoon lange cantate; twaalf stukken waarbij het de bedoeling is dat de eerste zes worden uitgevoerd vóór de preek, de tweede zes daarna. Het jaar daarop zal Bach het eerste deel van deze cantate uitvoeren als afsluiting van het kerkelijk jaar, voor de Drieëenheidszondag. 

 

Het openingskoor bestaat uit drie delen; een plechtig orkestraal begin en slot (Grave) met daartussenin een snelle, zeer uitgebreide koorpartij met zowel homofone als polyfone onderdelen en met het karakter van een fuga. In het instrumentale slot nemen strijkers en blazers elkaars partijen over en het geheel eindigt op de valreep toch nog met het koor.

 

De bas krijgt een recitatief en een aria toebedeeld, een liefelijk, pastoraal stuk is dat met vele herhalingen van een tamelijk beknopte tekst. Daarna mag de sopraan waarschuwen voor de ijdelheid die mensen eigen is en ze krijgt vervolgens een heerlijke aria die veel weg heeft van een gavotte (een franse hofdans) maar met in de tekst reminiscenties aan de profeet Jesaja wiens lippen werden bewerkt met gloeiende kolen i.v.m. zijn ‘onreinheid’. Mooie muziek, dat zeker, maar zonder enige relatie met wat hier verteld wordt. Ongewoon is dat in het slotkoraal wat hierna het eerste deel afsluit, de hobo een onafhankelijke partij mag spelen in plaats van - zoals gebruikelijk in slotkoralen - een aanvulling op de vocale partijen. 

 

Dit is blijkbaar het juiste tijdstip voor de preek waarna het tweede deel van de cantate zal volgen met dit keer de tenor in een recitatief/aria paar. We blijven dansen want deze aria heeft veel weg van een gigue. Moeilijk moet dit alles zijn voor de tenor want deze nieuwe teksten te zingen op die zeer dansante muziek die zo overduidelijk voor een ander doel is geschreven, het moet een grote opgave zijn. Niet zo zingbaar is het en steun aan instrumentalisten heeft de tenor ook al niet want de bezetting is heel eenvoudig.

 

‘Gott ist was uns glücklich macht’ 

 

Dat moet ons blijkbaar voldoende zijn. En hierna in een secco recitatief wordt dit pas echt een seculiere cantate wanneer daar in een dialoog sopraan en bas mogen aantreden waarbij de sopraan hem blijkbaar moet overtuigen wat in de slotfase ook lijkt te lukken. Dat blijkt overduidelijk in het duet wat nu volgt, een zeer lang uitgesponnen menuet met prachtige partijen voor de beide hobo’s. 

 

'God woont in dit huis en uw hart' 

 

Dat zegt de bas in een laatste recitatief waarna de cantate besluit met opnieuw twee koraalverzen, het zijn de coupletten 9 en 10 van Paul Gerhardts 

 

‘Wach auf, mein Herz und singe.’

 

 

 

Een heel afwisselende cantate is dit, een typisch parodie-model met opgewekte zang, feestelijk vanaf de allereerste openingstonen maar weinig overtuigend als kerkmuziek. De mooiste aria's van deze toch wel lange cantate zitten in het eerste deel. Bij Rilling valt vooral die geweldige, steeds maar voortgaande sopraan-aria op, langer dan 6 minuten is die. Mijn favoriete koraal (psalm 42 voor de kenners) zit ook nog in deze cantate.

 

Maarten 't Hart schrijft dat het meest verrukkelijke stuk uit de cantate ook voor hem de 'vrolijke, zwierige sopraan-aria in de vorm van een heuse gavotte' is.

 


 

De cantate van de vorige week (Pinksterzondag)

Wer mich liebet, der wird mein Wort halten BWV 74

Zoals zo vaak put Bach als Thomaskantor uit eerder werk wat hij vervolgens gaat herschrijven. Voor de Pinksterzondag 1725 neemt hij delen over van cantate BWV 59 die met Pinksteren 1724 is uitgevoerd maar die een jaar eerder is gecomponeerd, reeds voor Bach’s aanstelling als Thomaskantor in 1723. Het lijkt er op dat die oorspronkelijke cantate bedoeld is geweest voor een uitvoering in de (kleine) universiteitskerk st. Pauli. Voor een grote feestdag in de Thomaskerk zou Bach beslist veel groter uitpakken.

 

Bach wil nu, twee jaar later, enkele onderdelen opnieuw gebruiken en er dan toch een feestcantate van maken. Hij verdubbelt het aantal onderdelen tot acht, hij verdubbelt het aantal solisten tot vier en qua instrumentale bezetting komen er drie hobo’s bij, pauken ook en natuurlijk een extra trompet. 

 

Dat hij deel 1 en 4 uit cantate 59 overneemt hoeven we niet als een werkbesparing te zien. Het is, als zo vaak met Bach’s revisies, juist zeer arbeidsintensief wat hij hier doet. Wel kunnen we zien aan de wijze waarop hij de partijen uitschrijft dat het in grote haast geschreven is. Met drie Pinksterdagen voor de deur die allen om een cantate vragen is dit een drukke periode. 

 

Het introductieduet wordt uitgebreid tot een koorwerk met een groot, feestelijk orkest. Een Jauchzet-Frohlocket-achtig begin, noem ik het maar even. En daarna maakt Bach een bewerking van het oorspronkelijke slotdeel, de bas-aria. Hij transponeert deze naar F en vervangt de soloviool door een hobo en de bas door een sopraanstem. Hij vermindert het registerverschil tussen vocale solist en begeleidings-instrument maar hij keert de ligging om. Daarmee wordt het karakter van deze triosonate wat intiemer. Het is in feite met al deze ingrepen een heel ander stuk geworden.

 

Tot zover het overnamebeleid uit cantate 59. Wat nu volgt heeft toch wel een heel ander karakter. De bas-aria moet welhaast de stem van Christus verbeelden. En de daarop volgende tenor-aria is bijna wat we later zijn gaan noemen  programmamuziek. Een stuk zoals dit kan eigenlijk alleen met een vierstemmig strijkorkest worden omgeven en dat gebeurt hier dus ook en wel op zeer beeldende wijze. 'Haast' wordt uitgebeeld in snelle coloraturen in de zangstem, het 'gaan en komen van Christus' wordt uitgebeeld door stijgende en dalende lijnen, motieven ontleent aan die voorafgaande bas-aria waar ook al sprake was van gaan en komen ('Ich gehe hin- und komme wieder').

 

En dan volgt de alt-aria, een virtuoos en opwindend stuk muziek waarin de aanval van Satan door heftige intervallen en syncopen wordt verbeeldt. Een scherp contrast daarmee vormt het slotdeel, een destijds zeer populair Pinksterkoraal van Paul Gerhardt ‘Gott Vater, sende deinen Geist’ wat op een sobere en intieme wijze uitdrukking geeft aan 't geloof maar desalniettemin; het is in feite de melodie van een anoniem straatliedje. Doorgaans treden hier alle instrumentalisten nog even aan om alle koorpartijen te versterken maar dit keer laat Bach dit alles achterwege. Wellicht moeten wij niet al te triomfalistisch zijn over het Pinksterfeest? 

 

Hoe dan ook; dit is een prachtige cantate als geheel. Echt wat het moet zijn met veel afwisseling, heerlijke, opwindende muziek. Zou er een pronkjuweel in voorkomen dan kreeg hij een plaats in mijn persoonlijke cantate top tien. Of moeten we misschien de Gardiner-versie van de tenor-aria als pronkjuweel beschouwen? De latere versie uit de Cantata Pilgrimage verdient die status zonder twijfel, dankzij de sopraan-aria door Lisa Larsson met een werkelijk prachtige hobo. Wat een heerlijk vlot en tegelijk rustig tempo in deze aria. En even later is daar Christoph Genz met zijn tenor-aria, indringend gezongen, werkelijk schitterend in dit zeer hoge tempo. En och, wat jammer dan, alles wordt vervolgens tenietgedaan door die bijzonder vreemde mannelijke alt in deze opname. Meelijwekkend gesnater is het. Of druk ik me nu te fors uit? Neen. 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op een mooie Pinksterdag, laat ze je alleen.

 

Deze cantate werd uitgevoerd op 20 mei in de Westerkerk te Amsterdam. Dit ter gelegenheid van het afscheid van ds. Fokkelien Oosterwijk. Op zo'n dag kun je natuurlijk, ook als je niet langer inwoner bent van Amsterdam (maar van Vlissingen) op pad gaan en zien of je het haalt, de dienst van 10.30 uur. 

 

En jawel, het kan. Nodig is het om exact om 6.48 uur aan het station te verschijnen en een overstap in Rotterdam moet ook want daarmee winnen we maar liefst 25 minuten. Het is een spannende toestand maar we worden beloond. Een prachtige Pinksterdag is het, rode ballonnen in de kerk die de kinderen, 50 in getal, mogen loslaten naar het dak.

 

Ds. Fokkelien Oosterwijk heeft ons alleen gelaten op deze mooie Pinksterdag maar wel kregen we van haar de zegen mee.

Elke week een cantate, elke week een nieuwe compositie. Dat is wat er wordt verwacht van de Thomaskantor in Leipzig. De teksten die vastgesteld zijn voor de zondagen van het kerkelijk jaar dienen het uitgangspunt te zijn. Vanaf 1723 is Johann Sebastian Bach Thomaskantor in Leipzig.

 

Elke week een cantate van Bach beluisteren, dat is wat wij kunnen doen en het is een mooi begin van de zondag.

 


Cantate - Letterlijk: zangstuk (Ital. van cantatere = zingen). Compositie op geestelijke of wereldlijke tekst voor een of meer solisten met of zonder koor. Bestaat uit meerdere onderdelen zoals recitatieven, aria's, duetten, koralen en koren. 


Eisenach (1685-1695)

 

 

Bach werd geboren op 21 maart 1685 te Eisenach in de huidige Duitse deelstaat Thüringen als telg van een oud muzikaal geslacht (over 7 generaties telde het meer dan 120 musici). Hij werd gedoopt op 23 maart in de Sankt Georgenkirche, gelegen op het centrale stadsplein van Eisenach waaraan ook het stadskasteel van de vorsten van Sachsen-Eisenach is gelegen. Als tweede naam kreeg de dopeling de naam van zijn peetoom, Sebastian Nagel, stadsblazer uit Gotha. Hij kreeg al op zeer jonge leeftijd van zijn vader Johann Ambrosius Bach vioolles. Op negenjarige leeftijd werd hij wees en kwam hij terecht in het gezin van zijn oudste broer Johann Christoph Bach III, die kerkorganist was in het stadje Ohrdruf.

 

 

Naar Ohrdruf en Lüneburg>>>

 

 

 

 

 

Trinitatis


Bach schrijft cantate 176 voor 27 mei 1725, de zondag na Pinksteren waarop het feest van de Heilige Drieëenheid (God de Vader, Zoon en Heilige Geest) wordt gevierd. Trinitatis, daarmee begint het vrijwel feestloze tweede deel van het kerkelijk jaar. Dit is ook de dag waarop Bach twee jaar eerder zijn wekelijkse cantateproduktie begon, direct na zijn indiensttreding als Thomaskantor. Zo besluit cantate 176 dus Bach’s eerste twee dienstjaren waarin hij wekelijks een cantate componeert. Vanaf dit moment zal hij het wat rustiger aan gaan doen: hij halveert zijn tempo en doet ongeveer twee jaar over zijn volgende jaargang.

 

Ook gedenkwaardig; de korte samenwerking met de Leipziger dichteres Christiane Mariane von Ziegler wordt met deze cantate beëindigd. Von Ziegler geeft zelf te kennen, in haar eigen publicaties, dat Bach op vele plaatsen kleine wijzigingen in de tekst aanbrengt. Geeft dat frictie? Waarschijnlijk wel. Musicologen hebben deze aanpassingen onderzocht en geconstateerd dat er door de wijzigingen onhandige en moeilijk zingbare woordafbrekingen ontstaan of dat zinswendingen juist stroever worden. We mogen aannemen dat Bach slechts muzikale overwegingen heeft, dat het ten koste gaat van grammaticaliteit is voor hem van geen enkel belang. Verbazingwekkend is het toch wel want we weten hoezeer hij altijd vanuit de tekst componeert. Of het nu gaat om een tekst over stromend water, het voortgaan van de christen, een kronkelende slang, het wordt alles minutieus uitgebeeld in muziek en toch... Zoveel betekenen die teksten voor Bach blijkbaar niet. Integendeel, hij is zeer kritiekloos op dat punt want de teksten die hij op muziek zet zijn doorgaans ten hemel schreiend miserabel. Schweitzer:

 

‘Zijn teksten waren formeel gezien zo weinig geschikt om op muziek te zetten als maar denkbaar is.'

 

Schweitzer formuleert het nog vriendelijk. Uit verdere Bach-literatuur klinkt een vreselijk gehuil op over de erbarmelijke kwaliteit van de door Bach gebruikte teksten, of om het in de woorden van één van hun te zeggen, over ‘de als smakeloos beschouwde bar en boze kerkteksten.’ De meest krasse uitlating in dit opzicht stamt van Hubert C. Parry die over Bach’s tekstdichters opmerkt: ‘Nauwelijks beter dan kreupelverzen was het wat ze hem aanleverden.’ Reeds Zelter klaagt in een brief aan Goethe over de ‘volslagen misdadige Duitse kerkteksten’ en meent dat die een ‘hinderpaal voor de receptie van zijn werk vormen.’ Elders spreekt hij over de elk begrip te boven gaande smakeloosheid van de meeste kerkteksten uit die tijd die je ‘negeren, veroordelen en tegelijkertijd weer bezitten moet om hem werkelijk te vereren.’ Günther Stiller zegt dat er vele teksten zijn die voor ons ‘wel altijd vreemd en van tijd tot tijd aanstootgevend zullen blijven’ maar hij stemt vervolgens in met het al in 1845 door Theodor Mosewius uitgesproken oordeel: 

 

'Wie er eenmaal mee vertrouwd geworden is, stoort zich niet meer aan de stijl van de taal.'

 

Bent u al in dat stadium beland? Hoe dan ook, wellicht is de nu beëindigde periode van samenwerking met Cristiane Mariane von Ziegler nog niet eens zo beroerd geweest, althans in tekstueel opzicht.

 




     1 Wie schön leuchtet der Morgenstern

    2  Ach Gott, vom Himmel sieh darein

    3  Ach Gott, wie manches Herzeleid

    4  Christ lag in Todesbanden

    5  Wo soll ich fliehen hin

    6  Bleib bei uns, denn es wil Abend werden

    7  Christ unser Herr zum Jordan Kam

    8  Liebster Gott, wann werd ich sterben

    9  Es ist das Heil uns kommen her

  10  Meine Seel erhebt den Herren

  11  Lobet Gott in seinen Reichen

  12  Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen

  13  Meine Seufzer, meine Tränen

  14  Wär Gott nicht mit uns diese Zeit

  15  is niet van Bach

  16  Herr Gott, dich loben wir

  17  Wer Dank opfert, der preiset mich

  18  Gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt

  19  Es erhub sich ein Streit

  20  O Ewigkeit, du Donnerwort

  21  Ich hatte viel Bekümmernis

  22  Jesus nahm zu sich die Zwölfe

  23  Du wahrer Gott und Davids Sohn

  24  Ein ungefärbt Gemüte

  25  Es ist nichts Gesundes an meinem Leibe

  26  Ach wie flüchtig, ach wie nichtig

  27  Wer weiss, wie nahe mir mein Ende

  28  Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende

  29  Wir danken dir, Gott, wir danken dir

  30  Freue dich, erlöste Schar

  31  Der Himmel lacht! Die Erde jubilieret

  32  Liebster Jesu, mein Verlangen

  33  Allein zu dir, Herr Jesu Christ

  34  O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe

  35  Geist und Seele wird verwirret

  36  Schwingt freudig euch empor

  37  Wer da gläubet und getauft wird

  38  Aus tiefer Not schrei ich zu dir

  39  Bring den Hungrichen dein Brot

  40  Darzu ist erschienen der Sohn Gottes

  41  Jesu, nun sei gepreiset

  42  Am Abend aber desselbigen Sabbats

  43  Gott fähret auf mit Jauchzen

  44  Sie werden euch in den Bann tun

  45  Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist

  46  Schauet doch und sehet, ob irgendein Schmerz sei

  47  Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden

  48  Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen

  49  Ich geh' und suche mit Verlangen

  50  Nun ist das Heil und die Kraft

  51  Jauchzet Gott in allen Landen

  52  Falsche Welt, dir trau ich nicht

  53  is niet van Bach

  54  Wiederstehe doch der Sünde

  55  Ich armer Mensch, ich Sündenknecht

  56  Ich will den Kreuzstab gerne tragen

  57  Selig ist der Mann

  58  Ach Gott, wie manches Herzeleid

  59  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  60  O Ewigkeit, o Donnerwort

  61  Nun komm der Heiden Heiland

  62  Nun komm der Heiden Heiland

  63  Christen ätzet diesen Tag

  64  Sehet welch ein Liebe hat uns der vater erzeiget

  65  Sie werden aus Saba alle kommen

  66  Erfreut euch, ihr Herzen

  67  Halt im Gedächtnis Jesum Christ

  68  Also hat Gott die Welt geliebt

  69  Lobe den Herrn, meine Seele

  70  Wachet! betet! betet! wachet!

  71  Gott ist mein König

  72  Alles nur nach Gottes Willen

  73  Herr, wie du willt

  74  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  75  Die Elenden sollen essen

  76  Die Himmel Erzählen die Ehre Gottes

  77  Du sollt Gott, deinen Herren, lieben

  78  Jesu der du meine Seele

  79  Gott der Herr ist Sonn und Schild

  80  Ein feste Burch ist unser Gott

  81  Jesus schläft, was soll ich hoffen?

  82  Ich habe genung!

  83  Erfreute Zeit im neuen Bunde 

  84  Ich bin vergnügt mit meinem Glücke

  85  Ich bin ein guter Hirt

  86  Wahrlich, wahrlich, ich sage euch

  87  Bisher habt ihr nichts gebeten in meinem Namen

  88  Siehe, ich wil viel Fischer aussenden

  89  Was soll ich aus dir machen, Ephraim

  90  Es reisset euch ein schrecklich Ende

  91  Gelobet seist du, Jesu Christ

  92  Ich hab in Gottes Herz und Sinn

  93  Wer nur der lieben Gott lässt walten

  94  Was frag ich nach der Welt

  95  Christus, der ist mein Leben

  96  Herr Christ, der einge Gottessohn

  97  In allen meinen Taten

  98  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

  99  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

100  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

101  Nimm von uns, Herr, du Treuer Gott

102  Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben

103  Ihr werdet weinen uns heulen

104  Du Hirte Israel, höre

105  Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht

106  Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit

107  Was wilst du dich betrüben

108  Es ist euch gut, das ich hingehe

109  Ich glaube, lieber Herr

110  Unser Mund sei voll Lachens

111  Was mein gott will, das gscheh allzeit

112  Der Herr ist mein getreuer Hirt

113  Herr Jesu Christ, du höchstes Gut

114  Ach lieben Christen, seid getrost

115  Mache dich, mein Geist, bereit

116  Du Friedefürst, Herr Jesu Christ

117  Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut

118  O Jesu Christ, meins Lebens Licht

119  Preise, Jerusalem, den Herrn 

120  Gott, man lobet dich in der Stille

121  Christum wir sollen loben schon

122  Das neugeborne Kindelein

123  Liebster Immanuel, Herzog der Frommen

124  Meinen Jesum laß ich nicht

125  Mit Fried und Freud ich fahr dahin

126  Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort

127  Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott

128  Auf Christi Himmelfahrt allein

129  Gelobet sei der Herr, mein Gott

130  Herr Gott, dich loben alle wir

131  Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir

132  Bereitet die Wege, bereitet die Bahn

133  Ich freue mich in dir

134  Ein Herz, das seinen Jesum lebend weiß 

135  Ach Herr, mich armen Sünder

136  Erforsche mich, Gott, und erfahre mein Herz

137  Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren

138  Warum betrübst du dich, mein Herz

139  Wohl dem, der sich auf seinen Gott

140  Wachet auf, ruft uns die Stimme

141  is niet van Bach

142  ook niet

143  Lobe den Herrn, meine Seele 

144  Nimm, was dein ist, und gehe hin

145  Ich lebe, mein Herze, zu deinem Ergötzen

146  Wir müssen durch viel Trübsal

147  Herz und Mund und Tat und Leben

148  Bringet dem Herrn Ehre seines Namens 

149  Man singet mit Freuden vom Sieg

150  Nach dir, Herr, verlanget mich

151  Süßer Trost, mein Jesus kömmt

152  Tritt auf die Glaubensbahn 

153  Schau, lieber Gott, wie meine Feind 

154  Mein liebster Jesus ist verloren

155  Mein Gott, wie lang, ach lange

156  Ich steh mit einem Fuß im Grabe

157  Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn

158  Der Friede sei mit dir

159  Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem

160  Is niet van Bach

161  Komm, du süße Todesstunde

162  Ach! ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe

163  Nur jedem das Seine 

164  Ihr, die ihr euch von Christo nennet

165  O heilges Geist- und Wasserbad 

166  Wo gehest du hin?

167  Ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe

168  Tue Rechnung! Donnerwort

169  Gott soll allein mein Herze haben

170  Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust

171  Gott, wie dein Name, so ist auch dein Ruhm 

172  Erschallet, ihr Lieder, erklinget, ihr Saiten!

173  Erhöhtes Fleisch und Blut

174  Ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte

175  Er rufet seinen Schafen mit Namen

176  Es ist ein trotzig und verzagt Ding

177  Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ 

178  Wo Gott der Herr nicht bei uns hält

179  Siehe zu, daß deine Gottesfurcht nicht Heuchelei sei

180  Schmücke dich, o liebe Seele

181  Leichtgesinnte Flattergeister

182  Himmelskönig, sei willkommen

183  Sie werden euch in den Bann tun

184  Erwünschtes Freudenlicht

185  Barmherziges Herze der ewigen Liebe 

186  Ärgre dich, o Seele, nicht

187  Es wartet alles auf dich

188  Ich habe meine Zuversicht

189  is niet van Bach

190  Singet dem Herrn ein neues Lied 

191  Gloria in excelsis Deo

192  Nun danket alle Gott 

193  Ihr Tore (Pforten) zu Zion 

194  Höchsterwünschtes Freudenfest

195  Dem Gerechten muß das Licht

196  Der Herr denket an uns 

197  Gott ist unsre Zuversicht

198  Laß Fürstin, laß noch einen Strahl

199  Mein Herze schwimmt im Blut

200 Bekennen will ich seinen Namen

Ziehier het alles omvattend overzicht van de kerkelijke cantates van Johann Sebastian Bach