De cantates van Johann Sebastian Bach


Jesus nahm zu sich die Zwölfe         BWV 22


De zevende zondag voor Pasen


Bachs 'auditie' voor Leipzig, hij schrijft de cantate als sollicitant. Niet alleen BWV 22 maar ook BWV 23 wordt geschreven voor deze speciale gelegenheid. De libretti voor deze proefcantates worden Bach - nu nog werkzaam aan het hof te Köthen - vanuit Leipzig toegestuurd. De teksten sluiten aan op de evangelie-lezing voor deze zondag; het gaat over Jezus' aankondiging van zijn lijden en sterven in Jeruzalem (BWV 22) en over de genezing van een blinde (BWV 23). 

 

Je zou kunnen veronderstellen dat sollicitant Bach extra pogingen doet om topkwaliteit te brengen. Maar dat blijkt nergens uit. Het is eigenlijk het 'gewone topniveau' zoals we dat van hem gewend zijn. Wel is hij in deze ‘Probestücke’ voorzichtig in de eisen die hij stelt aan het onbekende uitvoerend ensemble waarmee hij maar kort heeft kunnen kennismaken. Hij beperkt zich in de bezetting; een hobo en strijkers in het orkest, geen solo voor de sopraan, weinig virtuoze delen in de vocale partijen. En hij vermijdt aria’s waarbij de opening aan het einde wordt herhaald, en van recitatieven met alleen continuobegeleiding. Dat soort da capo aria’s en secco recitatieven zijn gebruikelijk in de opera en de Leipzigse gemeenteraad is van mening dat kerkmuziek niet doorspekt mag zijn met frivoliteiten uit de opera. Bach houdt zich in. Wel tracht hij uiteraard - als sollicitant - een zo breed mogelijke diversiteit te bieden aan genres en technieken die hij in huis heeft. Dat maakt dat hij kiest voor een ongewoon begin van deze cantate, geen grootschalig openingskoor dit keer maar louter solisten. 

 

Achtereenvolgens komen bij een orkestrale inleiding zowel de evangelist (de verteller) als de Vox Christi (Jezus zelf) naar voren. De tenor zingt als evangelist het inleidende ‘Jezus nam zijn twaalf discipelen terzijde’, de bas vervolgt als Vox Christi met de aankondiging van zijn gang naar Jeruzalem, waaruit de bekende teksten zijn weggelaten die zeggen dat hij daar zal lijden en sterven. Deze twee solopassages zijn niet als recitatief gecomponeerd maar als arioso (iets meer melodie dus) waarbij het basismotief al in de instrumentale inleiding klinkt: een aarzelend in kleine stapjes omhooggaan (‘hinaufgehn’) tot de bas uiteindelijk bij ‘Jerusalem’ op zijn hoge Es arriveert. Maar dan wordt de muzikale vorm die Bach kiest niet zozeer door de tekst ingegeven maar meer door zijn behoefte om aan het slot het st. Thomas koor een taak te geven. Erg vreemd doet het aan hoe daar opeens dat koor opduikt om een vertellersrol op zich te nemen. Eigenlijk toont Bach zich hier een soort vroegtijdige Jan Rot die zich 300 jaar later in zijn vertaling van de Matthäus Passion regelmatig van dergelijke vreemdsoortige constructies bedient. We horen een koorfuga van een zeer streng type, zonder speelse intermezzi. Bach wil duidelijk zijn vak-bekwaamheid in het genre etaleren, maar hij vergeet niet de tekst te illustreren. Die tekst valt in drie delen uiteen: het thema van de fuga horen we bij de woorden ‘sie aber vernahmen der Keines’, als eerste tegenthema (contrapunt) dient het herhaalde ‘und wussten nicht’ terwijl een hakkelend en onzeker  ‘was das gesaget war’ als een tweede contrapunt fungeert. Het gevolg van de verdeling van de tekst over thema en contrapunten is dat alle frasen door elkaar klinken: zeer geschikt om uitdrukking te geven aan de hier geschetste verwarring onder de discipelen. 

 

Na die strakke en gevoelloze koorfuga wordt het tijd voor de warme en empathische alt, als altijd een gewillige volgeling van Jezus. In deze aria (2) wordt de alt begeleid door een klagelijke solohobo. Het ‘Leiden’ gaat tot tweemaal toe vergezeld van een schokkende harmonische wending. 

 

In het dan volgende recitatief fungeert de bas niet langer als Vox Christi, hij is nu de eenvoudige gelovige. En toch krijgt hij hier het voorname strijkers-accompagnato dat in de Italiaanse opera aan hooggeplaatste figuren is voorbehouden en in de Matthäus-Passion aan Christus. Dit is dus zeer ongewoon. Wat Bach hier doet is eigenlijk alleen verklaarbaar omdat het past in de artistieke staalkaart die hij hier wil etaleren. En om orthodoxe protesten tegen te frivool geachte opera-recitatieven alvast te ontzenuwen; de bas begint dit recitatief met een melodisch citaat van het bekende kerklied ‘Was frag ich nach der Welt’.

 

De tweede aria (4) is een optimistische solo voor de tenor, begeleid door strijkers in de maat van een passepied of een menuet. Deze aria herinnert ons er aan - in zijn dansante karakter - dat sollicitant Bach op dit moment nog altijd hofdirigent is bij de prins van Köthen. Op het woord ‘verbeßre’ herhaalt de tenor zijn muziek van de vier vorige maten één toon hoger. Terwijl het orkest doorspeelt handhaaft hij zijn ‘Friede’ erg lang, maar ‘ewig’ duurt daarna nog veel langer en eindigt met het ritmische vreugde-motief (pa-pa-dam, pa-pa-dam) dat al voortdurend in de begeleiding te horen is geweest. 

 

Het slot van de cantate is een koraalvers: het vijfde couplet van het heel oude lied ‘Herr Christ, der einig Gotts Sohn’. Het is in 1524 gecomponeerd door Elisabeth Creutziger, een gewezen non en vriendin van Luther, op de melodie van een voor-reformatorisch seculier liefdesliedje. Bach kan tekst en melodie van zo'n slotkoraal eenvoudig in één van de Leipziger liedboeken vinden en hij hoeft slechts een vierstemmige harmonisering te componeren. Maar blijkbaar is hem dat toch niet voldoende. Hij lardeert de koraalzinnen met concertante voor-, tussen- en naspelen die sterk de sfeer bepalen. De basso continuo stapt vastberaden voort, hobo en violen versieren de melodie met een lange guirlande. Niet iedereen vindt dit mooi. Hubert Parry zegt hierover in zijn boek: 

 

“The effect of a figure of the kind persisting without a break of variety is often liable to become tedious”

 

Tedious? Dat betekent toch 'vervelend'? Volgens Maarten 't Hart is daar geen sprake van. 

 

"Dit is een wonderschone koraalbewerking". 

 

Dat vind ik ook. Hier is weer zo'n prachtige, steeds maar voortschrijdende partij die echt met dat stuk - en met ons - op de loop gaat. En natuurlijk moet dit snel gespeeld worden in een strak gepuncteerd ritme. Yo Yo Ma weet dat ook en hij maakt er met Ton Koopman een arrangement van voor een van zijn succes-cd's. Wel wat snel maar het klinkt heerlijk. 

 

En wordt sollicitant Bach aangenomen, daar in Leipzig? Ach, het gemeentebestuur heeft haast. Het is inmiddels de laatste zondag voor het begin van de vastentijd en het is de laatste gelegenheid voor een auditie, tenminste als het gemeentebestuur de vacature nog tijdens haar ambtstermijn vervuld wil krijgen. Er zijn op dit moment al zes kandidaten geweest. Die hebben hun sollicitatie slechts gebruikt ter versterking van hun eigen positie (Telemann, Graupner) ofwel ze zijn te licht bevonden (Kaufmann, Duve, Schott, Fasch). Er is een krant die lovend bericht over Bach, maar niet iedereen is zich bewust van de kwaliteiten van de zojuist gecontracteerde musicus. Het raadslid Abraham Christoph Platz verklaart berustend dat men ‘wenn man eben nicht die besten kriegen könne, man eben die mittleren nehmen müsse’

 

Deze sollicitatieprocedure wordt in 2012 nog een keer overgedaan in Amsterdam, in de Dominicuskerk.

 

  P.S. Natuurlijk ben ik op 3 juni daarbij aanwezig. Telemann wint!

 

 

 

 

 

Elke week een cantate, elke week een nieuwe compositie. Dat is wat er wordt verwacht van de Thomaskantor in Leipzig. De teksten die vastgesteld zijn voor de zondagen van het kerkelijk jaar dienen het uitgangspunt te zijn. Vanaf 1723 is Johann Sebastian Bach Thomaskantor in Leipzig.

 

Elke week een cantate van Bach beluisteren, dat is wat wij kunnen doen en het is een mooi begin van de zondag.


Cantate - Letterlijk: zangstuk (Ital. van cantatere = zingen). Compositie op geestelijke of wereldlijke tekst voor een of meer solisten met of zonder koor. Bestaat uit meerdere onderdelen zoals recitatieven, aria's, duetten, koralen en koren. 


Eisenach (1685-1695)

 

Bach werd geboren op 21 maart 1685 te Eisenach in de huidige Duitse deelstaat Thüringen als telg van een oud muzikaal geslacht (over 7 generaties telde het meer dan 120 musici). Hij werd gedoopt op 23 maart in de Sankt Georgenkirche, gelegen op het centrale stadsplein van Eisenach waaraan ook het stadskasteel van de vorsten van Sachsen-Eisenach is gelegen. Als tweede naam kreeg de dopeling de naam van zijn peetoom, Sebastian Nagel, stadsblazer uit Gotha. Hij kreeg al op zeer jonge leeftijd van zijn vader Johann Ambrosius Bach vioolles. Op negenjarige leeftijd werd hij wees en kwam hij terecht in het gezin van zijn oudste broer Johann Christoph Bach III, die kerkorganist was in het stadje Ohrdruf.

 



     1 Wie schön leuchtet der Morgenstern

    2  Ach Gott, vom Himmel sieh darein

    3  Ach Gott, wie manches Herzeleid

    4  Christ lag in Todesbanden

    5  Wo soll ich fliehen hin

    6  Bleib bei uns, denn es wil Abend werden

    7  Christ unser Herr zum Jordan Kam

    8  Liebster Gott, wann werd ich sterben

    9  Es ist das Heil uns kommen her

  10  Meine Seel erhebt den Herren

  11  Lobet Gott in seinen Reichen

  12  Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen

  13  Meine Seufzer, meine Tränen

  14  Wär Gott nicht mit uns diese Zeit

  15  is niet van Bach

  16  Herr Gott, dich loben wir

  17  Wer Dank opfert, der preiset mich

  18  Gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt

  19  Es erhub sich ein Streit

  20  O Ewigkeit, du Donnerwort

  21  Ich hatte viel Bekümmernis

  22  Jesus nahm zu sich die Zwölfe

  23  Du wahrer Gott und Davids Sohn

  24  Ein ungefärbt Gemüte

  25  Es ist nichts Gesundes an meinem Leibe

  26  Ach wie flüchtig, ach wie nichtig

  27  Wer weiss, wie nahe mir mein Ende

  28  Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende

  29  Wir danken dir, Gott, wir danken dir

  30  Freue dich, erlöste Schar

  31  Der Himmel lacht! Die Erde jubilieret

  32  Liebster Jesu, mein Verlangen

  33  Allein zu dir, Herr Jesu Christ

  34  O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe

  35  Geist und Seele wird verwirret

  36  Schwingt freudig euch empor

  37  Wer da gläubet und getauft wird

  38  Aus tiefer Not schrei ich zu dir

  39  Bring den Hungrichen dein Brot

  40  Darzu ist erschienen der Sohn Gottes

  41  Jesu, nun sei gepreiset

  42  Am Abend aber desselbigen Sabbats

  43  Gott fähret auf mit Jauchzen

  44  Sie werden euch in den Bann tun

  45  Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist

  46  Schauet doch und sehet, ob irgendein Schmerz sei

  47  Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden

  48  Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen

  49  Ich geh' und suche mit Verlangen

  50  Nun ist das Heil und die Kraft

  51  Jauchzet Gott in allen Landen

  52  Falsche Welt, dir trau ich nicht

  53  is niet van Bach

  54  Wiederstehe doch der Sünde

  55  Ich armer Mensch, ich Sündenknecht

  56  Ich will den Kreuzstab gerne tragen

  57  Selig ist der Mann

  58  Ach Gott, wie manches Herzeleid

  59  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  60  O Ewigkeit, o Donnerwort

  61  Nun komm der Heiden Heiland

  62  Nun komm der Heiden Heiland

  63  Christen ätzet diesen Tag

  64  Sehet welch ein Liebe hat uns der vater erzeiget

  65  Sie werden aus Saba alle kommen

  66  Erfreut euch, ihr Herzen

  67  Halt im Gedächtnis Jesum Christ

  68  Also hat Gott die Welt geliebt

  69  Lobe den Herrn, meine Seele

  70  Wachet! betet! betet! wachet!

  71  Gott ist mein König

  72  Alles nur nach Gottes Willen

  73  Herr, wie du willt

  74  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  75  Die Elenden sollen essen

  76  Die Himmel Erzählen die Ehre Gottes

  77  Du sollt Gott, deinen Herren, lieben

  78  Jesu der du meine Seele

  79  Gott der Herr ist Sonn und Schild

  80  Ein feste Burch ist unser Gott

  81  Jesus schläft, was soll ich hoffen?

  82  Ich habe genung!

  83  Erfreute Zeit im neuen Bunde 

  84  Ich bin vergnügt mit meinem Glücke

  85  Ich bin ein guter Hirt

  86  Wahrlich, wahrlich, ich sage euch

  87  Bisher habt ihr nichts gebeten in meinem Namen

  88  Siehe, ich wil viel Fischer aussenden

  89  Was soll ich aus dir machen, Ephraim

  90  Es reisset euch ein schrecklich Ende

  91  Gelobet seist du, Jesu Christ

  92  Ich hab in Gottes Herz und Sinn

  93  Wer nur der lieben Gott lässt walten

  94  Was frag ich nach der Welt

  95  Christus, der ist mein Leben

  96  Herr Christ, der einge Gottessohn

  97  In allen meinen Taten

  98  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

  99  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

100  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

101  Nimm von uns, Herr, du Treuer Gott

102  Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben

103  Ihr werdet weinen uns heulen

104  Du Hirte Israel, höre

105  Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht

106  Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit

107  Was wilst du dich betrüben

108  Es ist euch gut, das ich hingehe

109  Ich glaube, lieber Herr

110  Unser Mund sei voll Lachens

111  Was mein gott will, das gscheh allzeit

112  Der Herr ist mein getreuer Hirt

113  Herr Jesu Christ, du höchstes Gut

114  Ach lieben Christen, seid getrost

115  Mache dich, mein Geist, bereit

116  Du Friedefürst, Herr Jesu Christ

117  Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut

118  O Jesu Christ, meins Lebens Licht

119  Preise, Jerusalem, den Herrn 

120  Gott, man lobet dich in der Stille

121  Christum wir sollen loben schon

122  Das neugeborne Kindelein

123  Liebster Immanuel, Herzog der Frommen

124  Meinen Jesum laß ich nicht

125  Mit Fried und Freud ich fahr dahin

126  Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort

127  Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott

128  Auf Christi Himmelfahrt allein

129  Gelobet sei der Herr, mein Gott

130  Herr Gott, dich loben alle wir

131  Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir

132  Bereitet die Wege, bereitet die Bahn

133  Ich freue mich in dir

134  Ein Herz, das seinen Jesum lebend weiß 

135  Ach Herr, mich armen Sünder

136  Erforsche mich, Gott, und erfahre mein Herz

137  Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren

138  Warum betrübst du dich, mein Herz

139  Wohl dem, der sich auf seinen Gott

140  Wachet auf, ruft uns die Stimme

141  is niet van Bach

142  ook niet

143  Lobe den Herrn, meine Seele 

144  Nimm, was dein ist, und gehe hin

145  Ich lebe, mein Herze, zu deinem Ergötzen

146  Wir müssen durch viel Trübsal

147  Herz und Mund und Tat und Leben

148  Bringet dem Herrn Ehre seines Namens 

149  Man singet mit Freuden vom Sieg

150  Nach dir, Herr, verlanget mich

151  Süßer Trost, mein Jesus kömmt

152  Tritt auf die Glaubensbahn 

153  Schau, lieber Gott, wie meine Feind 

154  Mein liebster Jesus ist verloren

155  Mein Gott, wie lang, ach lange

156  Ich steh mit einem Fuß im Grabe

157  Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn

158  Der Friede sei mit dir

159  Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem

160  Is niet van Bach

161  Komm, du süße Todesstunde

162  Ach! ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe

163  Nur jedem das Seine 

164  Ihr, die ihr euch von Christo nennet

165  O heilges Geist- und Wasserbad 

166  Wo gehest du hin?

167  Ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe

168  Tue Rechnung! Donnerwort

169  Gott soll allein mein Herze haben

170  Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust

171  Gott, wie dein Name, so ist auch dein Ruhm 

172  Erschallet, ihr Lieder, erklinget, ihr Saiten!

173  Erhöhtes Fleisch und Blut

174  Ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte

175  Er rufet seinen Schafen mit Namen

176  Es ist ein trotzig und verzagt Ding

177  Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ 

178  Wo Gott der Herr nicht bei uns hält

179  Siehe zu, daß deine Gottesfurcht nicht Heuchelei sei

180  Schmücke dich, o liebe Seele

181  Leichtgesinnte Flattergeister

182  Himmelskönig, sei willkommen

183  Sie werden euch in den Bann tun

184  Erwünschtes Freudenlicht

185  Barmherziges Herze der ewigen Liebe 

186  Ärgre dich, o Seele, nicht

187  Es wartet alles auf dich

188  Ich habe meine Zuversicht

189  is niet van Bach

190  Singet dem Herrn ein neues Lied 

191  Gloria in excelsis Deo

192  Nun danket alle Gott 

193  Ihr Tore (Pforten) zu Zion 

194  Höchsterwünschtes Freudenfest

195  Dem Gerechten muß das Licht

196  Der Herr denket an uns 

197  Gott ist unsre Zuversicht

198  Laß Fürstin, laß noch einen Strahl

199  Mein Herze schwimmt im Blut

200 Bekennen will ich seinen Namen

Ziehier het alles omvattend overzicht van de kerkelijke cantates van Johann Sebastian Bach