De cantates van Johann Sebastian Bach


De vierentwintigste zondag na Trinitatis

O Ewigkeit, du Donnerwort       BWV 60



Het is nog steeds november en het gaat ook nu weer over de laatste dingen, over de dood en wat daarna komt. In de evangelielezing voor deze zondag gaat het ook nu weer over de opwekking uit de dood van het twaalfjarig dochtertje van de synagoge-overste Jaïrus. Een verhaal dat de gelovige uitzicht biedt op de eigen opwekking, op het eeuwig leven na de dood. 

 

Dit is een cantate met een dialoog, deze keer tussen de vrees (Furcht) en de hoop (Hoffnung), de alt en de tenor. Zij staan voor de gespleten ziel van de gelovige, een gelovige met vele twijfels. Uiteindelijk (maar we zijn dan al in deel 4) is daar nog een derde gesprekspartner, de Vox Christi (de stem van Christus) en deze blijkt uiteindelijk in staat de vrees van de alt te doen verdwijnen. 

 

Deel één van deze cantate is geheel gebaseerd op de apocalyptische visie van de koraaltekst 'O Ewigkeit, du Donnerwort'. En dat 'Donnerwort', een stijgende reeks van vier noten, weerklinkt vanaf het allereerste begin vrijwel onophoudelijk in de strijkers. Het is een sidderen wat plaats vindt terwijl tegelijkertijd de beide hobo's met een duet van verlangend wachten wat troost proberen te geven. Dan is daar de alt die, bijgestaan door een hoorn, met het koraal, zin voor zin uiting geeft aan haar vrees voor een eeuwigdurend lijden. De tenor poogt deze angst te bezweren met een bijbelse quote waarbij het goddelijke heil wat ons wacht gevat is in een toenemend smekend idioom. Tevergeefs, de alt is in 't geheel niet gevoelig voor zijn inbreng. In de herhaling worden de eerste drie koraalregels zelfs in mineur geharmoniseerd. 

 

Het nu volgende recitatief (2) begint met een citaat uit het openingskoraal. Maar het is een verstoord citaat, de vier noten van 'O Ewigkeit' zijn hier door kruizen (## = lijden) verscherpt. Er is tussen alt en tenor nu iets wat op een dialoog lijkt maar een toenadering blijft uit. Pijnlijke intervallen, scherpe akkoorden in het continuo, veel kruizen. 

 

Omdat het duet (3) wat nu volgt mooie muziek oplevert is kunnen we wellicht even vergeten dat die vruchteloze woordenwisseling tussen Hoop en Vrees juist hier zijn dramatische hoogtepunt vindt. Ze naderen elkaar, hun teksten rijmen nu, maar regel voor regel spreken ze elkaar tegen. De alt blijft onbewogen onder het drukke pleidooi van de tenor. Intussen horen we hoe elders een strijd uitgevochten wordt; een nogal machteloze soloviool en een heftig geëmotioneerde hobo verbeelden emoties die we bij de solisten wat minder expliciet horen. 

 

In het laatste recitatief (4) worden de klaagzangen van de Vrees geconfronteerd met een arioso, nu niet gebracht door de tenor in de rol van de hoop maar hier wordt de bas geintroduceert, het is de Vox Christi die beslissend is. Hij onderbreekt haar met een zich allengs uitbreidend citaat uit het laatste bijbelboek Openbaringen; 

 

‘Selig sind die Toten die in dem Herren sterben, von nun an’ 

 

De woorden van Christus lijken uit een andere wereld afkomstig. In een scherp contrast met de secco recitatieven van de alt die steeds drastischer lijkt in haar bewoordingen. Uiteindelijk zijn het de woorden 'von nun an...' die iets teweeg brengen. We eindigen aldus in een feestelijk D-groot. 

 

Als slotkoraal (5) horen we een ander koraal dan waarmee de cantate opende. Wel zijn de eerste vier noten van de sopranen opnieuw die van 'du Donnerwort' zoals we die hoorden in 1. Opvallend is het gebruik van de tritonus als interval. Dit interval is zeer dissonant en staat mede daardoor bekend als de 'diablo in musica', de 'duivel in de muziek'. Het is heel moeilijk te treffen. En vervolgens zijn daar ook nog die ijzingwekkende, bijtende harmonieën waarvan Bach deze noten voorziet. Ai.... 

 

Door dit alles geldt het slotkoraal ‘Es ist genug’ als het meest verbazingwekkende van alle vierstemmige koralen die Bach ooit schreef. Ongetwijfeld is dit één van de redenen dat BWV 60 in het begin van de twintigste eeuw grote populariteit geniet in het met de (a-) tonaliteit worstelende Wenen van Mahler en Schönberg. En het is dit koraal wat Alban Berg in zijn vioolconcert opneemt als zijn ‘gebed voor de dood’. 

 

Wat is er met deze cantate, vraag ik me aanvankelijk af, dat die op geen enkele wijze weet te ontroeren. Komt dat door 'grauwsluier Harnoncourt'? Het vermoeden rijst dat zowel Leonhardt als Harnoncourt soms gewoon miskleunen in hun drang naar authenticiteit. Maar er is nog iets anders. In deze cantate blijft tot aan het slotkoraal de 'Donnerwort-stemming' intact. Er is geen wending. Ach ja, als Christus aan 't woord komt, dan gaan we nog wel even wat meer rechtop zitten. 'Selig sind die Toten', dat wordt mooi en dramatisch gezongen, zo mogelijk bij Rilling nog wat mooier. Het slot sterft prachtig weg; Es ist genug...... 

 


 

Het is zondag 18 november 2007 en ik ben met Christ in de Antonius kathedraal te Breda. Dat is de kerk waar in het jaar daarvoor mijn broer Adriaan ligt opgebaard. De kerk is dan zojuist heropend na een grondige restauratie en is ter ere daarvan rijk versierd met bloemen, het werk van bloemist Marijn, echtgenoot van Adriaan. Mijn broer krijgt wijwater, wierook, een preek, kortom alles wat hij in het gewone leven wel missen kon. En nu zijn we een jaar verder. Vandaag geen bloemen, geen pastor, geen preek, geen rituelen. We horen cantate BWV 60 en ook deze keer maakt deze cantate geen enkele indruk. Goed, we zien dirigent Geert van den Dungen (ik zong in vroeger tijd bij zijn koor), we zien een aantrekkelijke alt (dat is althans de opvatting van Christ) en het is mooi om hier te zijn in mijn vroegere woonplaats waar de haven inmiddels heropend is en waar alles zo mooi, zo schoon en zo rustig oogt. Maar de muziek gaat ten onder in een badkamergalm in deze kerk en in een zwaar overladen programma met maar liefst twee missen. De haven is prachtig geworden. 

 

 

Elke week een cantate, elke week een nieuwe compositie. Dat is wat er wordt verwacht van de Thomaskantor in Leipzig. De teksten die vastgesteld zijn voor de zondagen van het kerkelijk jaar dienen het uitgangspunt te zijn. Vanaf 1723 is Johann Sebastian Bach Thomaskantor in Leipzig.

 

Elke week een cantate van Bach beluisteren, dat is wat wij kunnen doen en het is een mooi begin van de zondag.


Cantate - Letterlijk: zangstuk (Ital. van cantatere = zingen). Compositie op geestelijke of wereldlijke tekst voor een of meer solisten met of zonder koor. Bestaat uit meerdere onderdelen zoals recitatieven, aria's, duetten, koralen en koren. 


Eisenach (1685-1695)

 

Bach werd geboren op 21 maart 1685 te Eisenach in de huidige Duitse deelstaat Thüringen als telg van een oud muzikaal geslacht (over 7 generaties telde het meer dan 120 musici). Hij werd gedoopt op 23 maart in de Sankt Georgenkirche, gelegen op het centrale stadsplein van Eisenach waaraan ook het stadskasteel van de vorsten van Sachsen-Eisenach is gelegen. Als tweede naam kreeg de dopeling de naam van zijn peetoom, Sebastian Nagel, stadsblazer uit Gotha. Hij kreeg al op zeer jonge leeftijd van zijn vader Johann Ambrosius Bach vioolles. Op negenjarige leeftijd werd hij wees en kwam hij terecht in het gezin van zijn oudste broer Johann Christoph Bach III, die kerkorganist was in het stadje Ohrdruf.

 

 

Naar Ohrdruf en Lüneburg>>>

 

 

 

 

 



     1 Wie schön leuchtet der Morgenstern

    2  Ach Gott, vom Himmel sieh darein

    3  Ach Gott, wie manches Herzeleid

    4  Christ lag in Todesbanden

    5  Wo soll ich fliehen hin

    6  Bleib bei uns, denn es wil Abend werden

    7  Christ unser Herr zum Jordan Kam

    8  Liebster Gott, wann werd ich sterben

    9  Es ist das Heil uns kommen her

  10  Meine Seel erhebt den Herren

  11  Lobet Gott in seinen Reichen

  12  Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen

  13  Meine Seufzer, meine Tränen

  14  Wär Gott nicht mit uns diese Zeit

  15  is niet van Bach

  16  Herr Gott, dich loben wir

  17  Wer Dank opfert, der preiset mich

  18  Gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt

  19  Es erhub sich ein Streit

  20  O Ewigkeit, du Donnerwort

  21  Ich hatte viel Bekümmernis

  22  Jesus nahm zu sich die Zwölfe

  23  Du wahrer Gott und Davids Sohn

  24  Ein ungefärbt Gemüte

  25  Es ist nichts Gesundes an meinem Leibe

  26  Ach wie flüchtig, ach wie nichtig

  27  Wer weiss, wie nahe mir mein Ende

  28  Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende

  29  Wir danken dir, Gott, wir danken dir

  30  Freue dich, erlöste Schar

  31  Der Himmel lacht! Die Erde jubilieret

  32  Liebster Jesu, mein Verlangen

  33  Allein zu dir, Herr Jesu Christ

  34  O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe

  35  Geist und Seele wird verwirret

  36  Schwingt freudig euch empor

  37  Wer da gläubet und getauft wird

  38  Aus tiefer Not schrei ich zu dir

  39  Bring den Hungrichen dein Brot

  40  Darzu ist erschienen der Sohn Gottes

  41  Jesu, nun sei gepreiset

  42  Am Abend aber desselbigen Sabbats

  43  Gott fähret auf mit Jauchzen

  44  Sie werden euch in den Bann tun

  45  Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist

  46  Schauet doch und sehet, ob irgendein Schmerz sei

  47  Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden

  48  Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen

  49  Ich geh' und suche mit Verlangen

  50  Nun ist das Heil und die Kraft

  51  Jauchzet Gott in allen Landen

  52  Falsche Welt, dir trau ich nicht

  53  is niet van Bach

  54  Wiederstehe doch der Sünde

  55  Ich armer Mensch, ich Sündenknecht

  56  Ich will den Kreuzstab gerne tragen

  57  Selig ist der Mann

  58  Ach Gott, wie manches Herzeleid

  59  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  60  O Ewigkeit, o Donnerwort

  61  Nun komm der Heiden Heiland

  62  Nun komm der Heiden Heiland

  63  Christen ätzet diesen Tag

  64  Sehet welch ein Liebe hat uns der vater erzeiget

  65  Sie werden aus Saba alle kommen

  66  Erfreut euch, ihr Herzen

  67  Halt im Gedächtnis Jesum Christ

  68  Also hat Gott die Welt geliebt

  69  Lobe den Herrn, meine Seele

  70  Wachet! betet! betet! wachet!

  71  Gott ist mein König

  72  Alles nur nach Gottes Willen

  73  Herr, wie du willt

  74  Wer mich liebet, der wird mein Wort halten

  75  Die Elenden sollen essen

  76  Die Himmel Erzählen die Ehre Gottes

  77  Du sollt Gott, deinen Herren, lieben

  78  Jesu der du meine Seele

  79  Gott der Herr ist Sonn und Schild

  80  Ein feste Burch ist unser Gott

  81  Jesus schläft, was soll ich hoffen?

  82  Ich habe genung!

  83  Erfreute Zeit im neuen Bunde 

  84  Ich bin vergnügt mit meinem Glücke

  85  Ich bin ein guter Hirt

  86  Wahrlich, wahrlich, ich sage euch

  87  Bisher habt ihr nichts gebeten in meinem Namen

  88  Siehe, ich wil viel Fischer aussenden

  89  Was soll ich aus dir machen, Ephraim

  90  Es reisset euch ein schrecklich Ende

  91  Gelobet seist du, Jesu Christ

  92  Ich hab in Gottes Herz und Sinn

  93  Wer nur der lieben Gott lässt walten

  94  Was frag ich nach der Welt

  95  Christus, der ist mein Leben

  96  Herr Christ, der einge Gottessohn

  97  In allen meinen Taten

  98  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

  99  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

100  Was Gott tut, das ist Wohlgetan

101  Nimm von uns, Herr, du Treuer Gott

102  Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben

103  Ihr werdet weinen uns heulen

104  Du Hirte Israel, höre

105  Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht

106  Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit

107  Was wilst du dich betrüben

108  Es ist euch gut, das ich hingehe

109  Ich glaube, lieber Herr

110  Unser Mund sei voll Lachens

111  Was mein gott will, das gscheh allzeit

112  Der Herr ist mein getreuer Hirt

113  Herr Jesu Christ, du höchstes Gut

114  Ach lieben Christen, seid getrost

115  Mache dich, mein Geist, bereit

116  Du Friedefürst, Herr Jesu Christ

117  Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut

118  O Jesu Christ, meins Lebens Licht

119  Preise, Jerusalem, den Herrn 

120  Gott, man lobet dich in der Stille

121  Christum wir sollen loben schon

122  Das neugeborne Kindelein

123  Liebster Immanuel, Herzog der Frommen

124  Meinen Jesum laß ich nicht

125  Mit Fried und Freud ich fahr dahin

126  Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort

127  Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott

128  Auf Christi Himmelfahrt allein

129  Gelobet sei der Herr, mein Gott

130  Herr Gott, dich loben alle wir

131  Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir

132  Bereitet die Wege, bereitet die Bahn

133  Ich freue mich in dir

134  Ein Herz, das seinen Jesum lebend weiß 

135  Ach Herr, mich armen Sünder

136  Erforsche mich, Gott, und erfahre mein Herz

137  Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren

138  Warum betrübst du dich, mein Herz

139  Wohl dem, der sich auf seinen Gott

140  Wachet auf, ruft uns die Stimme

141  is niet van Bach

142  ook niet

143  Lobe den Herrn, meine Seele 

144  Nimm, was dein ist, und gehe hin

145  Ich lebe, mein Herze, zu deinem Ergötzen

146  Wir müssen durch viel Trübsal

147  Herz und Mund und Tat und Leben

148  Bringet dem Herrn Ehre seines Namens 

149  Man singet mit Freuden vom Sieg

150  Nach dir, Herr, verlanget mich

151  Süßer Trost, mein Jesus kömmt

152  Tritt auf die Glaubensbahn 

153  Schau, lieber Gott, wie meine Feind 

154  Mein liebster Jesus ist verloren

155  Mein Gott, wie lang, ach lange

156  Ich steh mit einem Fuß im Grabe

157  Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn

158  Der Friede sei mit dir

159  Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem

160  Is niet van Bach

161  Komm, du süße Todesstunde

162  Ach! ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe

163  Nur jedem das Seine 

164  Ihr, die ihr euch von Christo nennet

165  O heilges Geist- und Wasserbad 

166  Wo gehest du hin?

167  Ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe

168  Tue Rechnung! Donnerwort

169  Gott soll allein mein Herze haben

170  Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust

171  Gott, wie dein Name, so ist auch dein Ruhm 

172  Erschallet, ihr Lieder, erklinget, ihr Saiten!

173  Erhöhtes Fleisch und Blut

174  Ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte

175  Er rufet seinen Schafen mit Namen

176  Es ist ein trotzig und verzagt Ding

177  Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ 

178  Wo Gott der Herr nicht bei uns hält

179  Siehe zu, daß deine Gottesfurcht nicht Heuchelei sei

180  Schmücke dich, o liebe Seele

181  Leichtgesinnte Flattergeister

182  Himmelskönig, sei willkommen

183  Sie werden euch in den Bann tun

184  Erwünschtes Freudenlicht

185  Barmherziges Herze der ewigen Liebe 

186  Ärgre dich, o Seele, nicht

187  Es wartet alles auf dich

188  Ich habe meine Zuversicht

189  is niet van Bach

190  Singet dem Herrn ein neues Lied 

191  Gloria in excelsis Deo

192  Nun danket alle Gott 

193  Ihr Tore (Pforten) zu Zion 

194  Höchsterwünschtes Freudenfest

195  Dem Gerechten muß das Licht

196  Der Herr denket an uns 

197  Gott ist unsre Zuversicht

198  Laß Fürstin, laß noch einen Strahl

199  Mein Herze schwimmt im Blut

200 Bekennen will ich seinen Namen

Ziehier het alles omvattend overzicht van de kerkelijke cantates van Johann Sebastian Bach