Twee cantates voor de eerste Paasdag


Der Himmel lacht! die Erde jubilieret BWV 31

Christ lag in Todesbanden BWV 4


We kennen Bach natuurlijk vooral van de lijdenstijd, van het sterven van Christus aan het kruis; onze schuld, onze grote schuld, dat soort gedachten. Zo dat het wel eens lijkt alsof het daarmee voor hem stopt, met de dood van Christus waar wij medeverantwoordelijk voor zijn. Toch zijn er twee cantates overgeleverd die bedoeld zijn voor de eerste paasdag en dit is er één van. Bach is 30 als hij deze componeert en hij verblijft nu bijna een jaar aan het 'hertogelijk hof' te Weimar. 

 

Qua tekst is BWV 31 een typisch produkt van Salomo Franck; de vreugde over het paasfeest van het begin transformeert naar het einde toe geleidelijk naar het verlangen van de christen naar een vereniging met Jezus en zo is er ook nu weer het uitzien naar 'het laatste uur'. 

 

Het introductiekoor is nu eens niet, zoals bij latere composities, een combinatie met een concertante instrumentale partij. Hier wordt de weg voor het koor geplaveid door een qua thematiek totaal onafhankelijke, bijzonder feestelijke sonate. Instrumentale luister is dit, gebracht door maar liefst drie 'instrumentale koren'; koper, rietblazers en strijkers. Vervolgens mag het koor losbarsten in zowel hemelse vreugde als ook in aardse jubeltonen waarbij het (opeenvolgende) principe van het motet gevolgd wordt; de verschillende tekstgedeelten worden in een contrasterende compositorische vorm over het voetlicht gebracht. Uitbundig dansende ritmes en door trompetklanken belichte partijen lopen vooruit op wat Bach later in zijn mis in b-klein zal doen; het vertragen van het tempo en het stilvallen van het koper als het gaat over Christus die uit zijn tombe oprijst. 

 

Van de drie intieme aria’s die dan volgen is speciaal het afscheids- tevens wiegelied 'Letzte Stunde, brich herein' vermeldenswaard: heel mooi is die concertante hobo en de solosopraan die worden vergezeld van een destijds overbekende koraalmelodie 'Wenn mein Stündlein vorhanden ist' gespeeld door de strijkers, unisono. Dit koraalfragment, duidelijk gerelateerd aan de gezongen tekst, leidt er toe dat de luisteraar, gezeten in zijn kerkbank de gevoelens van de sopraan kan delen. 

 

Tegelijkertijd ziet het vooruit naar het slotkoraal, dat is immers het laatste vers van diezelfde hymne, een simpel koraalwerk maar naar een hoger plan gebracht door een intrumentale obligate partij, die het werk een ingehouden maar niettemin vreugdevol slot bezorgd. 

 

Deze cantate in vogelvlucht; De luisteraar ervaart hoe hemel losbreekt in vreugdeuitbarstingen (1 en 2), wordt uitgenodigd om deel te hebben aan Christus opstanding (3), en Zijn overwinning aan het kruis (4), dan is er de noodzaak voor de nieuwe mens om zich vrij te vechten van de zonde (5) de oude achter zich te laten (6) waarbij de beschermende eenheid met Jezus hem in het vooruitzicht wordt gesteld (7) en er is een anticiperen op het laatste uur (8) en een gebed om als de engelen te zijn dat terugkeert in het finale koraal (9). 

 

Eerste indruk bij het beluisteren van de opname van Harnoncourt;  deze cantate is geen hoogtepunt. Een dun zingend koor horen we, een opname die niet mooi is. Feestelijkheid die zich lijkt af te spelen in een bedompte kelderruimte. Maar schijn bedriegt. Want hoe is de Werner-versie? Werkelijk schitterend. Het wonder geschied; ineens verschijnen daar in deze cantate een paar niet eerder gehoorde pronkjuwelen, de tenor-aria bijvoorbeeld. Ongelofelijk wat daar in de strijkers gebeurt. Later komt Gardiner nog bij de collectie en dat belooft veel dankzij die fabuleuze koorstemmen die daar prachtig transparant over elkaar heen buitelen, perfect samen met de instrumentale stemmen. Heel mooi. Maar dan, bij de tenor gaan we twijfelen. Er moet hier in tekst en muziek toch sprake zijn van een wat mystieke cesuur en die willen we natuurlijk wel horen. Maar Gardiner - ach ga toch niet zo snel - hij walst daar als een razende overheen. Die haast is funest voor deze cantate. Nee, we moeten terug naar Werner, terug in de tijd waar zijn strijkers ons een blik gunnen op die andere wereld die zich eigenlijk halverwege elke Bach cantate moet aandienen. Als even later Agnes Giebel ons op een bed van strijkers meevoert in haar ‘Letzte Stunde’ laat zij deze vergezeld gaan van de weldadige rust die Bach bedoeld moet hebben. 

 

Eén van de vroegste Bach cantates die wij kennen. Dateert waarschijnlijk uit 1708, bedoeld voor uitvoering op de eerste Paasdag. Hier en daar kunnen we lezen dat hij uit 1707 zou zijn, hetgeen betekent dat het de tweede of mogelijk zelfs de allereerste cantate is die van Bach bewaard is gebleven. We weten het allemaal niet zo zeker. Maar het staat wel vast dat het werk stamt uit Mühlhausen en daarom is 1708 meer aannemelijk. Bach is immers pas in juli 1707 naar deze stad verhuisd, en wel ná Pasen.

 

Hoewel een koraalcantate - gebaseerd immers op een Luther-hymne uit 1524 met ongewijzigde tekst - behoort ze beslist niet tot het karakteristieke type van Bach's latere cantates, met binnenste delen in de vorm van recitatieven en aria's. Deze cantate is geschreven in de nogal archaïsche vorm van koraalvariaties wat zoveel wil zeggen dat de koraalmelodie in alle zeven delen verschijnt, soms gewijzigd, soms in onveranderde gedaante. Er komen geen thema's in voor die het koraal 'vreemd' zijn, slechts begeleidende instrumentale figuren die een beweeglijkheid aan het geheel verlenen. Het is alles eigenlijk zeer behoudend bij de jonge Bach.

 

Een korte sinfonia waarin het begin van de hymne gehoord wordt, wordt gevolgd door de verschillende strofes van het koraal in de volgende arrangementen:

 

  1. Het koraal, althans het refrein daarvan. De melodie zit in de sopraanpartij, lagere stemmen volgen imiterend, de violen spelen hier begeleidingsfiguren; het ‘Halleluja’ van de laatste regel wordt uitgebreid tot motetstijl in een versneld tempo.
  2. Koraalconcerto in kleine bezetting (sopraan, alt, continuo).
  3. Trio voor violen, tenor en continuo, de koraalmelodie (bij de tenor, de laatste regel wordt vrij behandeld) met een zeer breed uitgewerkte begeleiding.
  4. Motetstijl, de koraalmelodie (dorische B mineur gaat naar E mineur) in de alt.
  5. Strijkersarrangement met de bas en continuo. Elke regel van de hymne verschijnt eerst in de bas, daarna in de eerste vio(o)l(en). De laatste regel wordt opnieuw vrij behandeld.
  6. Koraalconcerto opnieuw in kleine bezetting (ditmaal sopraan, tenor, continuo).
  7. Eenvoudige vierstemmige koraalzetting, verdubbeld door de instrumenten.

 

Opvallende kenmerken van deze cantate zijn het sterke verband tussen vorm en tekst die ertoe leidt dat belangrijke woorden beeldend oplichten in het muzikale geheel maar daarnaast ook de heldere symmetrie van het werk (centrale as: deel 4). Mocht voorgaande zin vragen opwerpen lees hem dan nogmaals óf bekijk even het onderstaande schema:

 

  1. Chorus
  2. Duet
  3. Aria
  4. Chorus
  5. Aria
  6. Duet
  7. Chorus

 

Ja?

 

Maarten 't Hart betitelt deze cantate als een machtig jeugdwerk waarvan de echtheid ooit betwijfeld werd:

 

"Indrukwekkend, somber, groots, grimmig. Archaïserend van stijl."

 

En wat een uiteenlopende uitvoeringen zijn er van deze cantate. Bij Gardiner wordt alles door het koor gezongen, nergens is het solistisch. In de versie van het Bach Collegium Japan wordt afgezien van de chorus-delen alles door de solisten gezongen. Bij het Munchener Bach-Chor/Orchester is juist weer het koor alom tegenwoordig, tot daar toch nog vrij onverwacht Dietrich Fisher Dieskau aantreedt, natuurlijk in de rol van Christus;

 

“Hier ist das rechte Osterlamm.”

 

Prachtig is dat. Maar wel staat deze opname qua uitvoeringspraktijk èn opnametechniek erg ver van alle andere uitvoeringen af. Een groot koor, een groot orkest, een welhaast mechanisch voortbewogen zang, rechtoe-rechtaan muziek is dit. Mooi om dat te vergelijken met die authentieke uitvoering van Gardiner. Alles wordt bij hem zó expressief gezongen, zoveel zeggingskracht krijgt het daardoor. Vooral in het chorus (4) is dat werkelijk schitterend. Maarten 't Hart steekt de loftrompet over authentieke uitvoeringen met name die van Suzuki.

 

“Anders dan bij Harnoncourt hier geen kortademige fraseringen, geen vals zingende jongetjes, geen hobo's die klinken als kwaad kwakende eenden, geen spookachtig krassende strijkers.”

 

Is het daarmee ook de mooiste? Luister wat daar in dat prachtige chorus (4) gebeurt. Het is waar, dit is de meest perfecte, de meest gestyleerde uitvoering die hiervan bestaat. En toch; deze uitvoering laat mij koud.

 

 

 

 

Geraadpleegde bron; Alfred Dürr