Lucas 2:15-20 en Mattheüs 23:34-39


Darzu ist erschienen der Sohn Gottes     BWV 40

Christum wir   sollen               loben schon           BWV 121


In veel landen, ook bij ons, is de gewoonte om de kerstviering over twee dagen uit te spreiden tot ver in de 20ste eeuw gehandhaaft. In de tijd van Bach telt men zelfs drie kerstdagen. Als het kerkelijk jaar zijn hoogtepunt bereikt en het kalenderjaar ten einde loopt wil men blijkbaar een cumulatie ervaren van kerkelijke hoogtijdagen nààst alle andere feestdagen. Bach kan ooit zijn - maar liefst - zesdelige kerstoratorium componeren omdat hij genoeg dagen tot zijn beschikking heeft voor de uitvoering. Anderzijds, de kerkmusicus moet toch ook op zijn werklast letten, en niet alleen op die van hemzelf. Gelukkig geeft de advent wat speelruimte, immers, in deze periode wordt, althans in Leipzig, geen concertante kerkmuziek uitgevoerd. Maar toch, we zijn in het jaar 1723, het eerste jaar waarin Bach hier als dirigent/kerkmusicus optreedt en het moet gezegd worden; de hoeveelheid werken voor deze periode is indrukwekkend. De hier beschreven cantate BWV 40 is bedoeld voor tweede kerstdag. Voor de derde kerstdag is daar BWV 64, gelukkig valt die dit keer op een zondag, dat scheelt. Maar op Nieuwjaarsdag wordt BWV 190 uitgevoerd en op de zondag daarna BWV 153 en met Driekoningen BWV 65. Het wordt nu wel begrijpelijk dat Bach voor de eerste kerstdag terugvalt op zijn eerder in Weimar geschreven cantate BWV 63 waarmee het aantal nieuwe cantates toch nog komt op 6 in een tijdsbestek van 14 dagen. 

 

Cantate BWV 40 laat zich leiden door èèn strikt theologische gedachte; de zondeval in het paradijs, die alleen door het lijden van Christus op te heffen is. De titel komt uit de eerste Johannesbrief 3 vers 8. 'Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou'. Deze strijd wordt in een aantal delen van de cantate duidelijk hoorbaar gemaakt en is vol bijbelse verwijzingen. Het feestelijke karakter veroorzaakt door het gebruik van hoorns in het eerste deel zal later worden hernomen in de tenor-aria. Opmerkelijk is ook het aantal koralen. Dat zijn er maar liefst drie terwijl de meeste cantates slechts één slotkoraal kennen. Twee van de drie koralen zijn afkomstig uit een kerstlied. Het eerste koraal 'Die Sünd macht Leid' is het 3e couplet van het lied 'Wir Christenleut' van Kapspar Füger (1592). Het slotkoraal 'Jesu, nimm dich deiner Glieder' is het 4e couplet van het lied 'Freuet euch, iht Christen alle' van Christian Keymann (1645). Het koraal 'Schüttle deinen Kopf und sprich' is couplet twee van het lied 'Schwing dich auf zu deinem Gott' van Paul Gerhardt (1653). 

 

Het indrukwekkendste deel van deze cantate is, zoals vaak bij Bach, het openingskoor. Na een instrumentale inleiding horen we het koor dat het instrumentale thema overneemt in korte homofone uitroepen ‘Dazu ist erschienen’ in dialoog met de instrumenten gevolgd door enkele polyfone maten die plotseling overgaan in het unisono gezongen ‘daß er die Werke des Teufels zerstöre’ eindigend in een snelle 1/16 beweging. Ze worden onmiddellijk gevolgd door een mooie fuga op een ander thema. De tenoren zetten in, slechts ondersteund door continuo begeleiding, waarna één voor één de inzetten van de andere zangstemmen volgen en de instrumentale partijen krijgen weer een grotere rol. De inzetten volgen elkaar steeds sneller op. Opmerkelijk is dat tegen het eind van dit fugatisch deeltje de altpartij ver boven de sopraan uitkomt. Op een heel vanzelfsprekende manier gaat dan de fuga over in het thema waarmee de koorinzet begon. 

 

Hierop volgt een krachtig recitatief (2) dat uiteindelijk zal afdalen naar een somber B-mineur en dat op weg daarheen al die tegenstellingen weerspiegelt waar Johannes in zijn teksten zo van houdt; donker en licht, het Woord en het vlees. Hier gaat het over het afdalen van Jezus zijnde de ‘machtige Zoon van God... om een klein schepsel te worden.’   

 

Na een koraal  volgt het centrale deel, de dramatische bas-aria (4), die geheel focust op Jezus’ strijd, namens ons, met de duivel. Hier wordt ‘afgerekend’ met de helse slang, het beest uit Genesis 3; 15. De bas lijkt hier, vanaf een veilige zijlijn, het slijmerige monster te bestoken. Wiegende ononderbroken zestienden horen we hier, uiteindelijk dalen ze verder af bij de woorden 'Der den Kopf als ein Sieger zerknickt'. Nu heeft de komst van Christus naar deze aarde de duivelse macht gebroken. 

 

Hierna volgt het alt-recitatief (5). Beschouwend is  het en slechts voorzien van een strijkersbegeleiding is dit het enige rustige deel van de cantate. Opnieuw volgt een koraal waarna in de tenor-aria (7) de overwinning op het kwade wordt bezongen op een tekst uit Mattheüs 23 vers 37. Een eenvoudig stuk is het zeer zeker niet. Zowel van tenor als blazers wordt veel gevraagd. Het muzikale thema grijpt terug naar het openingsdeel. Het slotkoraal staat vervolgens  in groot contrast met deze aria en poogt de overwinning op het kwaad tot uitdrukking te brengen. 

 

 

Over deze cantate meldt John Eliot Gardiner ons dat Bach zich vergist in de dagen. Immers, hij moet op deze tweede kerstdag uit het Mattheus Evangelie citeren, maar hij gebruikt hier teksten die bedoeld zijn voor de derde kerstdag afkomstig van de evangelist Johannes. Ongetwijfeld zal de dienstdoende predikant het opmerken. Immers, die preekt nu uit een ander Bijbelboek. Maar ach, maakt het voor ons iets uit? Het is werkelijk heerlijke muziek die we horen, inventief, ontroerend hier en daar met hoorns, prachtige klanken dit keer ook bij Leonhardt. Een opgeruimde cantate met hier en daar een klein stukje drama. Ik geloof nu toch echt dat ik de opname van Leonhardt hier mooier vind dan de Rilling-versie ondanks de heel erg mooie opnametechniek aldaar. Blijkbaar moet dit gespeeld worden op authentieke instrumenten en wel in dit tempo. Leonhardt laat ook Werner ver achter zich. Dit moet niet massaal uitgevoerd worden maar soepel, kamermuziekachtig. Soepel, dat is het bij Gardiner ook.  

 

 

 

 

 

 

Geschreven voor 2e kerstdag 1724 is dit een koraalcantate geschreven in de gebruikelijke vorm. Luther himself bewerkte en vertaalde deze Lathijnse hymne uit de vijfde eeuw getiteld ‘A solis ortu cardine’. 

 

Het nogal archaïsche openingskoor is een motet in een streng klassieke stijl en het ongewone ervan is dat het geen duidelijke toonsoort heeft; het houdt ergens het midden tussen E-klein en F-klein, aldus weerspiegelt het een ambivalentie in de melodie. Meer dan in enige andere cantate ruik je hier de primitieve wortels, een vroeg-Christelijke oorsprong voor deze tekst over de ‘suvermaecht van Israël’ genaamd Maria. Dat archaïsche karakter van het openingskoor lijkt perfect afgestemd op dat onbegrijpelijke mysterie van de incarnatie (d.i. de menswording van God in de gedaante van Jezus, inderdaad een mirakel).

 

Pas na de tenor-aria komen we met het recitatief in een majeure toonsoort terecht. Hier, in dat recitatief, wordt dan ook het wonder beschreven van die menswording, waarbij op het eind iets opmerkelijks plaatsvindt nl. in de zin 'um zu den Menschen sich mit wundervoller Art zu kehren'. Bij het woord ‘kehren’, is het moment aangebroken dat God neerdaalt en de menselijke gedaante aanneemt, en in de muziek horen we dan een last-minute-beweging richting C-majeur. Dat is de spil van deze hele cantate én de perfecte voorbereiding op de nu volgende bas-aria (4) met die nogal vet aangezette, Italiaanse strijkers; Johannes de Doper springt daar op van vreugde in de moederschoot (!) wanneer hij Jezus herkent. 

 

Bach’s gedachte voor deze cantate is het verbeelden van de transformatie van duisternis naar het licht, tonen hoe christenen de komst van God’s licht in de wereld vieren en hoe dat samenvalt met onze zonnewende. Maar ook wil hij het doel van Christus’ menswording benadrukken - immers - de mensheid is voorbestemd om deel te gaan uitmaken van het ‘hemelse engelenkoor’. Daarom volgt nu in dat korte recitatief (5) een sleutelrol voor de sopraan die de hoge B moet zien te treffen. Het is, in al zijn beknoptheid, een extreem krachtig stuk vooral als het in de laatste frase schijnbaar reikt naar de eeuwigheid door middel van een uitgebreid contrapuntisch melisma wat veel wegheeft van een auditie voor een 'engelenkoor'. De sopraan bij Gardiner doet dat op opzienbarende wijze maar nog treffender is wellicht Arleen Auger (bij Rilling) van wie ik meen te weten dat zij inmiddels deel uitmaakt van dat koor. 

 

Elke andere componist zou nu in de verleiding komen om hierna in enigerlei schitterende stratosferische textuur te eindigen, zo niet Bach. Door nu terug te keren naar de toonsoorten van het openingskoor en naar het gepolijste timbre van trombones en cornetto, vindt hij andere, meer subtiele manieren om een lucide slot te vinden. Uiteindelijk is het de hoop van de gelovige op de eeuwigheid die hier verklankt wordt, niet diens zekerheid. 

 

 

Wat een heerlijk stuk is dat bij Gardiner (op Archiv) die, wat hij zelf noemt, ‘Italianiserende bas-aria’. Dit is echt - wat Maarten zo gruwelijk vindt - een dans. Ook Fischer-Dieskau in die ouderwets, theatrale uitvoering van Richter is prachtig.

 

‘Johannis freudenvolles Springen’

 

Het is een topstuk. Ik zou het graag via You Tube met u delen, maar helaas, het komt daar niet in voor. 

 


Selig ist der Mann BWV 57

 

Een cantate voor tweede kerstdag 1725, tevens de naamdag van Stefanus. Bij de Epistellezing op deze dag gaat het dan ook niet over het kerstkind maar over de lotgevallen van Stefanus, de eerste martelaar van het christelijk geloof die dapper en voorbeeldig sterft en daarvoor beloond wordt met een visioen van zijn Heer en Heiland, Jezus Christus, gezeten ter rechterhand Gods. Hij krijgt een blik op het eeuwige leven. Wie is Stefanus? Het antwoord vinden wij - als altijd - in Wikipedia. 

 

"Sint Stefanus is de eerste diaken die door de apostelen wordt aangesteld om de aalmoezen eerlijk te verdelen onder de weduwen, hij is de financiële man van de nieuwe beweging. Dankij Stefanus kunnen de apostelen zich nu concentreren op preken en lesgeven. Hij wordt in het jaar 35 gestenigd na in Jeruzalem de hogepriester en de oudsten te hebben beschul-digd van moord op de Messias. Volgens de legende wordt het lichaam van Stefanus in 415 ontdekt. Het lichaam wordt overgebracht vanuit Jeruzalem, met een tussenstop in Constantinopel, naar het Vaticaan in Rome. De overblijfselen worden in het graf van Laurentius van Rome bijgezet. Stefanus zien we over het algemeen afgebeeld in de kledij van de diaken, de dalmatiek. Het is vaak een jonge man zonder baard en met vriendelijke gelaats-trekken. Als attribuut draagt hij stenen die op zijn hoofd, in zijn handen of op zijn schouders liggen, al dan niet bebloed." 

 

De predikant van Leipzig, Salomon Deyling zal in 1725 gedacht hebben – al dan niet in overleg met zijn cantor – dat hij het kerstgebeuren eens wat extra diepgang moet geven door de gemeente Gods er op te wijzen waartoe het geloof in het pasgeboren kind kan leiden, namelijk tot het martelaarschap. Voordat de predikant dit in zijn preek eens goed in de verf zet, volgt nu eerst Bach's cantate met teksten uit de brief van Jacobus waarin het thema duidelijk aan de orde gesteld wordt. 

 

“Wie volhardt, wie volhoudt, ook al is de beproeving soms bijna niet om te dragen, die zal niet beschaamd worden. Hij zal de kroon des levens ontvangen (kroon in het Grieks = Stefanos).” 

 

Volhouden is dus de boodschap want de beloning na afloop is zo geweldig groot dat al dat lijden, ook dat van Stefanus, er bij in het niet verzinkt. En om ons van dat laatste te overtuigen horen we in de cantate dan ook een innige dialoog tussen Christus (de bas) en de Ziel (de sopraan). En ook wordt er een beeld geschetst van Stefanus die de hemel geopend ziet en daar ‘zijn Heiland’ mag aanschouwen. Een aantrek-kelijk vooruitzicht. De vijanden die Stefanus willen doden zijn in deze cantate niet zozeer mensen van vlees en bloed, nee, hier zijn het de machten van zonde en ellende die bestreden moeten worden; Ja ja, ich mag die Feinde schlagen'. Waarna in de laatste aria van deze cantate al onze aandacht gaat naar het verlangen dat er is (over en weer) tussen Jezus en de mens.

 

‘Ach, Jezus was ik maar vast bij u’ 

 

In de openings-aria horen we de bas die de grootsheid bezingt van het martelaarschap in een zeer breed gefraseerde, ernstige melodie, begeleid door drie strijkersgroepen en een licht contra-puntisch weefsel van drie hobo's. Een contrast daarmee vormt vervolgens de sopraan-aria. Het is het lied van de verlaten ziel, onzeker zwervend in een wegvloeiende chromatiek en smekend om de dood sinds Jezus' liefde van haar weggenomen is. Jezus biedt hierna hand en hart en dan, in die onmiskenbaar opera-achtige wraakaria belooft hij dat hij zijn vijanden zal overwinnen. In de aria die we horen juist voor het slotkoraal vindt de ziel uiteindelijk de alles overtreffende liefde en die rijk geornamenteerde soloviool suggereert dat ze gepassioneerd in Jesus' armen eindigt. 

 

Zo ontroerend de muziek, zo vervreemdend de teksten. De tekst van de cantate komt uit de pen van de heer G. C. Lehms (1684-1717), hofdichter en hofbibliothecaris te Darmstadt, uit wiens eerste bundel met cantateteksten Bach in de loop van zijn carrière maar liefst 10 x heeft geput. Lehms schrijft met BWV 57 een dialoogcantate maar het is er één waarbij de direkte dialoog tussen de karakters beperkt wordt tot de recitatieven. De dramatische nadruk wordt veel meer gelegd op de aria's, daar worden de verschillende emoties geëtaleerd.

 

Maarten 't Hart zegt dat vooral die eerste sopraan-aria zo indrukwekkend is. Hij kent die in de uitvoering van Ellie Ameling.  

 

"Het is één van de warmste, roerendste, meest mystieke stukken muziek die Bach schreef. De aria 'Ich wünschte mir den Tod' is niet alleen zo prachtig, zo volmaakt, zo in zichzelf genoeg dat je het telkens als een schokkende verrassing ervaart dat daar dan nog achter komt 'wenn du mein Jesu mich nicht liebtest'. En toch ervaar je dat niet als een breuk omdat die muziek onder ‘wenn du, mein Jesu’ ook zo beeld- en beeldschoon is." 

De Ameling-versie bezit ik niet en het wordt mij pas duidelijk wat Maarten hier bedoelt na het beluisteren van de Harnoncourt-versie. Wat mooi! Wie verwacht dit van zo'n jongetje met zo'n onmogelijke tekst. En even later.... Wat een heerlijke bas-aria is dat met die schitterende versieringen in de strijkers 'Ja, ja, ich mag die Feinde schlagen' de wraakaria dus. Hoe is het toch mogelijk om op een dergelijke tekst een zo prachtige muziek te componeren. Na een tweede sopraan-aria die vrij abrupt eindigt volgt vrijwel naadloos een prachtig koraal. 

'Meng in 't geklank' 

Althans dat is wat een ieder denkt die ooit een Gereformeerde Kerk bezocht, zoals ik.

 

Al met al een mooie cantate maar misschien moet ik toch Ameling eens horen. En die bas-aria, die beschouw ik als een kroonjuweel. Daarom, bij wijze van curiositeit een zeer oude, zeer langzame opname (audio) van de wraakaria gezongen door de mij volmaakt onbekende bas Evereich. Heel bijzonder.

 


 

10 november 2018

 

Onlangs heb ik dan toch die Ameling-opname gekocht tijdens mijn laatste bezoek aan Amsterdam. Concerto had in zijn kelder verzameling cantates o.l.v. Helmuth Winschermann en jawel, daar zit ie bij.