Maria-visitatie oftewel Maria-bezoek is een katholieke feestdag die gevierd wordt op 31 mei. Men herdenkt dan het bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth, dat beschreven wordt in het Evangelie volgens Lucas (1, 39-56). Maria is op het moment van het bezoek zwanger van Jezus en Elisabeth van Johannes de Doper. Elisabeth wordt wanneer zij Maria ziet komen vervuld van de Heilige Geest, het kind springt op in haar schoot en zij zegt tegen Maria: "De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot!" Maria antwoordt met een lofzang op God, het Magnificat. De woorden van Elisabeth zijn opgenomen in het Weesgegroet.

 

Maria-visitatie valt oorspronkelijk op 2 juli, maar omdat deze dag ná de feestdag van de geboortedag van Johannes de Doper (24 juni) valt, heeft men het in 1969 verplaatst naar 31 mei.

 

Herz und Mund und Tat und Leben       BWV 147

Meine Seel erhebt den Herren BWV 10



Herz und Mund und Tat und Leben’ is bedoeld voor de Maria-visitatie (2 juli 1723) maar Bach werkte al eerder aan deze cantate en toen was deze bedoeld voor de vierde adventszondag van het jaar 1716. Maar er zou niet gezongen worden op die betreffende zondag en e.e.a. is op toen de plank beland. Maar deze tekst uit de bijbel, die het Magnificat bevat, kan eigenlijk ook wel voor een feestdag rond Maria worden gebruikt. Bach is een praktisch mens. 

 

De cantate dankt zijn wel heel brede aantrekkingskracht voornamelijk aan de toevoeging van die twee - muzikaal gezien - identieke koralen, pastoraal van karakter, waarmee Bach de beide afzonderlijke delen besluit. In muziek van zulk een honingzoete schoonheid en treffende natuurlijkheid zien we gemakkelijk het feit over het hoofd dat het melos van dat gevierde acht-maten-lange ritornello - die weelderige ornamentiek waarmee Bach de simpele koraalmelodie omgeeft nu juist voortkomt uit exact diezelfde ‘roots’ die het zo uitbundig verfraait. Dat schijnbaar eindeloos vloeiende thema van dit stuk heeft Bach inderdaad overgenomen uit die simpele koraalmelodie van Johann Schop ‘Werde munter, mein Gemüte’. En het is een eigen leven begonnen. Ontelbare arrangementen en parafrases van juist dit stuk hebben grote aantallen mensen in de muziek van Bach geïntroduceerd. 

 

Toch verdienen ook de andere acht delen van deze cantate wel wat aandacht. Let b.v. eens op dat wonderlijk ondefinieerbare ritme in de alt-aria, het switched doelloos ergens tussen een 3/4 en 3/2 maat. Was er immers niet de notie in de late middeleeuwen dat een maat in drieën de drie-eenheid symboliseert? Hier vertegenwoordigt de hobo het bovennatuurlijke, zoals de viool in de sopraan-aria (5) Jezus, de Zoon der Mensen, vertegenwoordigt. Innovatief wordt Bach als hij in de tenor-aria (7) de cello en het orgel niet unisono laat spelen en als het orgel Hier alle muzikale decoraties mag aanbrengen. En, even later is het in de bas-aria (9) volkomen nieuw dat een solopartij begeleid wordt door het gehele orkest.

 

Maar natuurlijk gaat de meeste aandacht uit naar die koraalbewerking en dat is dan ook het stuk waar Maarten 't Hart in zijn boekje het eerst over schrijft:

 

"Toen ik een jaar of acht oud was hoorde ik bij een vriend thuis voor 't eerst de door Myra Hess gemaakte pianobewerking van 'Wohl mir das ich Jesum habe'. Grootgebracht als ik was op een karig dieet van 150 psalmen en 29 gezangen, bleek dat één van de meest aangrijpende ervaringen van mijn leven. Amper vermocht ik te begrijpen dat zoiets prachtigs bestaan kon. Omdat de melodie mij telkens weer ontglipte, wilde ik hem telkens weer horen. Gelukkig wist hij zich uiteindelijk, nadat ik bij diezelfde vriend herhaaldelijk een 45-toeren plaatje had beluisterd met Pierre Palla aan het orgel, zo ferm in mijn geheugen te nestelen dat hij altijd op afroep beschikbaar bleek. Waardoor ik hem op straat kon nafluiten. Mijn liefde voor de klassieke muziek vindt daar zijn oorsprong. Ik vond (en vindt) die melodie zo prachtig dat dat een toetssteen werd. Al wat ik later hoorde werd eraan afgemeten.. Zodoende ging in de jaren zestig de treurnis van de Beatles en Elvis Presley en de Rolling Stones volledig aan mij voorbij. Bachs koraalbewerking was immers oneindig veel mooier. Ook voor zoiets vreselijks als jazzmuziek ben ik dankzij Bach nooit gevallen. Ik hoefde, als ik op straat liep en er zo'n druilerig motregentje viel, die triolenketen maar zachtjes te fluiten en ik wist het weer: dit is het, hier gaat het om, dit is het allermooiste wat er bestaat."

 

Wie moeten wij op cd beluisteren? Eigenlijk moeten we ze allemaal horen (en het zijn er nogal wat) maar in ieder geval Harnoncourt. Van alle uitvoeringen die ik hiervan bezit is het misschien wel de mooiste. Licht gespeeld, een mooi tempo, geen sentimenteel gedoe. Een prachtige hoboe di caccia. Verder tel ik nog 11 uitvoeringen in mijn eigen collectie maar de ‘Bach Cantata Web-site’ vermeldt er minstens 30. De Rilling-versie is precies zoals je van hem zou verwachten. Hij is er ook in een versie door The Bach Ensemble (op authentieke instrumenten en met een solistenkwartet i.p.v. een koor) en in een versie door het Münchener Bach-Chor/ Orchester. Er is een alternatieve versie o.l.v. Geraint Jones. De versie van the Academy of Saint Martin in the Fields uit hun glorietijd begin 70-er jaren. Natuurlijk hebben veel grote solisten de cantate gezongen zoals daar zijn Elly Ameling en wat die opname vooral prachtig maakt is het zeer eigen geluid van het Kings College Choir uit Cambridge. En natuurlijk ook één o.l.v. John Eliot Gardiner. De tenor klinkt bij hem licht, vlot en toch vol drama. Een versie o.l.v. Fritz Werner is dan juist heerlijk ouderwets langzaam en die heeft een feestelijke trompetbegeleiding in 'Jesus bleibet...' die we niet bij iedereen horen. Buitengewoon mooi en ietwat sentimenteel. Werner heeft hem zelfs 2 x opgenomen want op de passionen-cd komt hij ook nog voor in een live-versie.

 

Wonderlijk toch dat ik deze ‘cantate aller cantates’ nooit maar dan ook nooit live hoor. Nooit, tot eindelijk met kerst 2006 John Eliot Gardiner met zijn gevolg verschijnt in het Concertgebouw. En ook 140 en 70 en 61 weerklinken nu, het kan niet op. Jawel, het is mooi. En William Towers is ziek en wordt vervangen door countertenor Robin Blaze. Ook dat is mooi.

 

Wie wil weten tot welke bizarre resultaten deze muziek kan leiden moet even doorklikken naar deze pagina.

Zomer 1724. Na vier ‘reguliere’ zondagen waarop Bach de eerste vier cantates van zijn jaarlijkse cantatecyclus uitvoert (BWV 20, 2, 7, 135) moet hij nu een additionele feestelijke cantate maken voor de 2e juli, het feest van de Maria Visitatie. Daarbij blijft hij trouw aan de inmiddels door hem ingezette gewoonte om koraalteksten en -melodiën te gebruiken voor zijn nieuwe cantates. Maar toch heeft BWV 10 een aparte plaats in dit geheel, Hier geen protestants kerklied als basis voor zijn compositie maar het Magnificat. Deze cantate  vertoont daarom Gregoriaanse trekjes. 

 

Anders dan heden ten dage is de Maria Visitatie één van de belangrijkste kerkelijke feestdagen, ook in het protestante Duitsland van Bach. In het Evangelie van Lucas anticipeert de ontmoeting tussen de beide zwangere vrouwen op de ontmoeting tussen de Verlosser en zijn voorloper, tussen Jezus en Johannes de Doper. En daarom bedenkt de Franciskaner orde die dit feest introduceert in het midden van de 13e eeuw, dat de Maria Visitatie in dezelfde periode moet vallen als het feest voor Johannes de Doper. En natuurlijk wordt er op deze dag uit het Lukas Evangelie gelezen; de Lofzang van Maria. Het zijn teksten die ook voorkomen in een bij het publiek bekend kerklied, een door Maarten Luther vervaardigde Duitse vertaling van het Magnificat. De Latijnse versie daarvan behoort tot het standaard repertoire van de religieuze muziek (Magnificat anima mea Dominum). Maar die Duitse versie is een in die tijd veelvuldig gehoorde koraalmelodie en ze is gebaseerd op oorspronkelijk Gregoriaanse muziek. 

 

Het eerste deel opent met een qua thema onafhankelijke instrumentale sinfonia met strijkers en hobo's. Het koor valt in met zin voor zin de verschillende onderdelen van Luther's kerklied. Bij de eerste strofe horen we de melodie bij de sopranen, de lagere stemmen bewegen vrijelijk in een polyphone stijl, hun thematisch materiaal is geleend van het instrumentale deel. Bij de tweede strofe verhuist de melodie naar de alten; dit tweede deel is in feite een herhaling van de eerste maar nu in de subdominant met stempartijen die verwisseld zijn. De terugkeer naar de hoofdtoonsoort wordt bereikt door het invoegen van een vrije koraal-passage in de finale herhaling van de openingssinfonia. 

 

De beide aria's van de cantate verschillen nogal zowel qua instrumentatie als ook in stijl. In de eerste gebruikt Bach strijkers met daaraan toegevoegd hobo's spelend in een concertante stijl. De tweede aria heeft slechts een begeleiding van de basso continuo waarbij de introducerende ritornello's later steeds terugkeren als "basso quasi ostinato" in de vocale partijen. 

 

In het duet (deel 5) behoudt Bach niet alleen de oorspronkelijke Bijbeltekst maar hij citeert ook het Gregoriaanse kerklied in de instrumentale partijen, hij plaatst ze op deze manier tegenover de onafhankelijke, imiterende vocale partijen. Hij herschrijft dit deel later; als een bewerking voor orgel vind het dan een plaats in de Schübler-koralen

 

Elk van de twee recitatieven begint in secco stijl met basso contiunuo begeleiding. Het eerste (deel 3) verbreedt zich tegen het einde tot een arioso; het tweede (deel 6) ontwikkelt zich, nog iets indrukwekkender, tot een accompagnato met versieringen in de strijkers die de vervulling van God’s belofte aan Abraham illustreren. 

 

De beide finale delen zijn, zoals gewoonlijk, gezet als simpele vier-stemmige koralen waarbij de Gregoriaanse melodie nu weer bij de sopranen terugkeert. 

 

Maarten noemt deze cantate Bach's 'kleine Magnificat'. Mooi van stemming, wijdingsvol. Het meest mystieke onderdeel van deze cantate noemt hij het duet dat Bach dus later voor orgel bewerkt. Zijn wij alle enthousiast over deze cantate? Het duurt bij mij toch wel vrij lang voor ik iets van waardering kan opbrengen. Zou dat komen omdat het gebaseerd is op Gregoriaanse muziek waar bible-belt-types (zoals ik) nu eenmaal niet zo veel affiniteit mee hebben? Mogelijk. Later wordt het toch nog mooi maar pas na aanschaf van de uitvoering onder Karl Richter. Maar ja, daar treden dan ook zulke grootheden aan als Peter Schreier en Edith Mathis, wat wil je? En die ouderwetse rechttoe rechtaan stijl van Richter werkt natuurlijk geweldig in zo’n donder en bliksemaria als ‘Gewaltige stösst Gott vom Stuhl’. We horen Kurt Moll, bas en we horen ook veel niet mis te verstane continuoklanken (de "basso quasi ostinato" m.a.w. een zich schijnbaar herhalend motief). Jawel, dit is mooi.

 

 

 

Bronnen; Wikipedia/Alfred Dürr/'De visitatie' door Jacopo Pontormo (ca. 1528)

 


Aria - Stuk voor een zanger of zangeres, met begeleiding. 

 

Arioso - Een muziekvorm voor solo-zang en instrumenten, met name in de barokmuziek. Zowel qua tekst als qua muziek is de arioso een tussenvorm tussen een recitatief en een aria. In vergelijking met een recitatief waarbij de muzikale begeleiding meestal alleen bestaat uit een basso continuo, is de begeleiding van een arioso uitbun-diger en rijker. De nadruk van een arioso ligt in vergelijking met een aria meer op de tekst dan op de muziek.


Basso continuo - Een manier van het begeleiden die vooral in de barokmuziek veel gebruikt werd. De naam wordt soms ook gebruikt voor de instrumenten die de begeleiding spelen. Veel instrumenten kunnen de basso continuo spelen; welke het doen is vaak een kwestie van smaak of beschikbaarheid. De basis is de uitgeschreven bas, vaak uitgevoerd door de cello of viola da gamba. Daarnaast is er sprake van een versierend en improviserend akkoord-instrument, zoals klavecimbel, orgel (in de kerk) of luit (bij kleine bezettingen).

 

Melos - Het melos duidt de opvolging van toonhoogten aan welke in een melodie plaatshebben, los van de ritmische structuur. Men kan ook zeggen; het melos geeft weer hoe de richting van een melodie omhoog of omlaag tendeert. De muziektheoreticus Bruno Nettl beschrijft diverse typen van melos ofwel 'contouren', zoals:

  • Stijgend melos
  • Dalend melos
  • Golvend melos: evenveel beweging omhoog als omlaag
  • Slingerend melos: extreme golfbeweging over grote intervallen
  • Plateau- of terras- of trapsgewijs melos: een aantal stijgende of dalende motieven waarbij elke set ofwel op dezelfde ofwel op een hogere of lagere toonhoogte begint dan waar de vorige eindigde
  • Boogvormig melos: een aanvankelijke stijging gevolgd door een daling, of omgekeerd

Ostinato - Een kort muzikaal motief dat telkens, gedurende of een deel van een song, speelstuk etc. wordt herhaald. Een basso ostinato is een bas-melodie in een compositie, die de hele tijd een en dezelfde melodie herhaalt. De term is afkomstig uit het Italiaans en betekent: koppig (Nederlands: obstinaat). 

Polyfonie - Onder polyfonie (Grieks voor  stem, klank, geluid) verstaat men in de muziek: gecomponeerde meerstemmigheid, dat wil zeggen, meerdere melodieën tegelijkertijd, al dan niet in verschillende stemregisters, soms zelfs  complex bezet. Het basisprincipe daarbij is dat alle stemmen gelijkwaardig zijn, of althans een volwaardige rol hebben. Voorbeelden van polyfone compositietechniek en zijn de canon en de fuga.

Recitatief - Spraakgezang, de manier van 'sprekend zingen' waarbij de tekst het belangrijkste is en de muziek daaraan ondergeschikt is gemaakt. Als een recitatief alleen met ondersteunende akkoorden wordt begeleid, b.v. op het klavecimbel, dan heet het 'recitativo secco' (droog). Wordt het begeleid door meerdere instrumenten en op een meer melodische manier dan heet het 'recitativo accompagnato'.

Ritornel - Concertante voor-, tussen- en naspelen die de vocale verwerking van de koraalzinnen motivisch bij elkaar houden. 


Subdominant - Een subdominantakkoord of kortweg subdominant is een akkoord dat verwant is aan het akkoord waarvan de grondtoon een kwint lager ligt dan dat van de tonica. Met de subdominant, wordt dat akkoord aangeduid, dat op de 4e toon van de toonladder is gebouwd. (in C groot: F A C, kortweg IV) In de loop van de geschiedenis, is het aantal subdominante akkoorden flink toegenomen. Er bestaat maar 1 tonica (op de 1e trap, aangeduid met I), op 2 manieren: majeur of mineur; er bestaan een aantal dominanten (op de 5e of de 7e trap, respectievelijk aangeduid met V en VII); maar het aantal subdominanten overtreft de beide andere functies verre. De functie van de subdominant is een punt van (relatieve) 'ontspanning' in de muziek te vormen. Is de tonica het oerbeeld van de grondtoon (het 'thuiskomen' van de muziek op een rustpunt), de dominant het oerbeeld van spanning, die in de lucht hangt (een gevoel van 'er staat iets onvermijdelijks te gebeuren'), zo is een subdominant een tegendeel van dit alles: een punt van ontspanning, bevreemding, verwondering. Functioneel harmonisch gezien (in de bijvoorbeeld de authentieke cadens) stuwt de subdominant naar de dominant.


Sinfonia - Een instrumentaal muziekstuk. Het woord is afkomstig uit het Italiaans en is in de meeste talen gelijk aan het woord voor symfonie. Een sinfonia is oorspronkelijk (vroeg-Barok periode) een kort muziekstuk dat gespeeld word direct voorafgaand aan een opera of aan kerkmuziek. De bedoeling is het publiek tot stilte te manen en tegelijkertijd voor te bereiden op het vocale werk dat volgt. De eerste sinfonia is - voor zover men weet - afkomstig uit de opera Orfeo gecomponeerd door Monteverdi in 1607. Later wordt de sinfonia langer en complexer. Uiteindelijk evolueert de sinfonia tot een zelfstandig muziekstuk bestaande uit meerdere delen.