Op deze pagina vier cantates voor de Eerste Kerstdag

Gelobet seist du, Jesu Christ           BWV 91

Ai, die hoorns! Dat moet het Leonhardt-consort zijn met hun zeer oude instrumenten! Is het de ouderdom of kunnen moderne musici hier niet op spelen? Hoe dan ook, we willen dit toch eigenlijk niet? En ook bij Gardiner klinken die hoorns aan het begin van deze cantate niet zo jofel. Nee, echt feestelijk wordt het pas bij Helmuth Rilling. Want de cantate heeft echt wel iets te bieden. Maarten noemt bijvoorbeeld het duet dat hij lang over het hoofd heeft gezien maar door het boek van Leonhardt Wolff uit 1913 is hij hierop attent gemaakt. Het is inderdaad 'wondermooi', het onbetwiste hoogtepunt van dit werk met zo’n mooie 'gaande' beweging zoals we die vaker tegenkomen bij Bach. 

 

Het is eerste Kerstdag 1724. Er zijn 3 cantateloze weken voorbijgegaan; immers, het is adventstijd en dan klinken er in Leipzig geen cantates. Een plaatselijke gewoonte is het, niet door Bach ingegeven want hij heeft in zijn vorig bestaan in Weimar wel Adventscantates geschreven. Nu is het tijd voor een feestelijk werk. Vertrouwd terrein voor de kerkganger want ‘Gelobest seist du, Jesu Christ’ is gebaseerd op een welbekende Lutherse hymne. Wel is de hymne grondig bewerkt; alleen de eerste en de laatste van de zeven strofes zijn onveranderd gebleven, maar het tweede is uitgebreid door middel van allerlei interpretatieve toevoegingen, het derde en vierde zijn vrijelijk herschreven als aria's, het vijfde wordt bij Bach een recitatief en het zesde opnieuw een aria. 

 

De opening is een spectaculair koraalwerk waarin de melodie zin voor zin ontwikkeld wordt in de sopraanstemmen terwijl drie instrumentale koren (hoorns met timpanen, hobo's, strijkers) begeleiden d.m.v. vreugdevolle signaalmotieven en loopjes. Met al die repeterende noten met name in de hoorns krijgen we die verwachtingsvolle stemming die zo typerend is voor Bach’s kerstcantates. 

 

Het recitatief van de sopraan laat vervolgens vrije poezie in een declamerende stijl afwisselen met de - ook voor ons - bekende versregels van het koraal, maar toch, letterlijke citaten zijn het niet want hier en daar worden ze een beetje geornamenteerd. Deze koraaldelen worden begeleid door een continuopartij met motieven uit de eerste versregel - in ingekorte nootwaardes - van de koraalmelodie 'Des ewgen Vaters einigs Kind'. Rilling laat de versregels door de sopranen uit het koor zingen, het is waarschijnlijk discutabel maar wel effectief; het is nu echt kerst.

 

De tenor-aria onderstreept met zijn uitbundig dansende ritme en zeer ongewone instrumentatie (3 hobo's zonder strijkers) de zeer specifieke sfeer van de scene rond de kribbe. Gardiner betitelt het als ‘baroque big band music’. Mogelijk zijn de Wijzen uit het Oosten al gearriveerd? 

 

Maar ook met kerst geldt; Bach zou Bach niet zijn als hij niet refereert aan een ‘dal van tranen’ vanwaar de nieuwgeboren Christus ons weg zal voeren. Dat is aan de orde in het tweede recitatief. Begeleid door de strijkers leidt het uiteindelijk naar een arioso met een zeer ongewone chromatiek op het woord  'Jammertal' die, aangezien Christus de bedoeling heeft ons hierdoorheen te leiden, overgaat in een C majeur cadens. Het is de inleiding voor dat mooie, heerlijk lang uitgesponnen duet voor sopraan en alt. Met gepuncteerde motieven voor de strijkers, schildert het de armoede die God ten deel valt door zijn komst naar de wereld maar ook (sterke tegenstelling) de ‘Überfluss an Himmelschatzen’ die voor de gelovige bestemd zijn. Als Bach deze cantate 10 jaar later herschrijft, voegt hij aan de zangpartij  montere syncopen toe om zo het streven van de mens aan te geven om als de engelen te willen zingen, mogelijk ook om te dansen. Ze stoten daarbij op de figuren van de violen en die onderlinge tegenstelling wordt door opwaarts gerichte modulaties nog eens verder versterkt; met verhogingen (om het streven van mensen naar de heerlijkheid der engelen te symboliseren), met verlagingen (om de menselijkheid van Jezus te verbeelden).

 

Het slotkoraal met hoorns en pauken leidt naar een stralende cadens en maakt de cirkel rond want het refereert - vanaf de voorlaatste zin - aan de blazersmotieven uit de opening.

 

Bronnen; Ludwig Finscher/ John Eliot Gardiner



Gloria in excelsis Deo BWV 191

Het lied van de engelen bij de geboorte van Jezus komt tot ons via Lucas 2:14. In de Latijnse kerkmuziek wordt dat verwoord als 'Gloria in excelsis Deo'. De aanleiding voor een eerste uitvoering van dit werk is een speciale dankdienst die gehouden wordt in de Universiteit kerk in Leipzig op eerste kerstdag 1745. De dankdienst is bedoeld om de Vrede van Dresden te vieren. De tweede Silezische oorlog is tot een einde gekomen en het is de eerste en de enige keer in zijn leven dat Bach ervaring uit de eerste hand heeft met de verschrikkingen en het leed van de oorlog als Pruisische troepen Leipzig bezetten en de omgeving verwoesten in het najaar van 1745. Ingeklemd tussen de vroege ochtenddienst in St. Thomas en de middagdienst in St. Nicholas, is deze dienst een van die zeldzame momenten waarop de leden van Bach's twee beste Kantoreiën beschikbaar zijn voor een gezamelijke uitvoering. Dit is dé kans om Leipzig drie delen te laten horen (Gloria - Domine Deus - Cum Sancto Spiritu) van de wonderbaarlijke vijfstemmige Missa BWV 232i, gecomponeerd voor het Hof van Dresden in 1733, haastig opnieuw bijeengebracht en bewerkt in een nieuw drieluik. 

 

BWV 191 is natuurlijk geen cantate. Ten onrechte is dit werk bij de cantates ingedeeld en het is terecht dat Harnoncourt het niet in zijn cyclus heeft opgenomen.

 

Ik bezit het werk wel in een versie door Ton Koopman. De klank, de opnamekwaliteit van deze CD's vind ik eerlijk gezegd niet geweldig. Het klinkt allemaal zo koud en zo hard. Wat een heerlijk rustpunt is dan het duet. 

 

Later hoor ik Rilling. Het is aan de vooravond van m'n vertrek voor een weekend in Brussel. Ik zit in het raam en kijk naar de bomen op het plein die nu op z'n mooist zijn. Dat prachtige groen wat je alleen in april zo ziet. De muziek is schitterend. Later koop ik de Gardiner-versie, die is natuurlijk (met al dat koorwerk) nog mooier. Maar een cantate is het niet.

 

Christen, ätzet   diesen Tag           BWV 63

Vóór de uitvinding van de fotografie, hebben we hulpmiddelen als oliën, borstels en canvas nodig om een beeltenis voor het nageslacht vast te leggen en het hanteren van die hulpmiddelen is in het geval van Bach als vanzelfsprekend toevertrouwd aan de officiele Leipziger portrettist Elias Gottlob Haussman (1695-1774). Het schilderij wat Haussmann vervaardigt toont een serieus, ouderwets kerkmusicus met borstelige wenkbrauwen, een man die nogal onverbiddelijk en wat ongemakkelijk oogt. En wie het schilderij beziet vraagt zich wellicht af of dit nu de Bach is zoals we die inmiddels kennen, de man van die dansende, joyeuze muziek zoals we die horen in deze feestelijke cantates, 61, 62 en nu ook weer in 63? 

 

Want feestelijke muziek is het zeker maar voor welk feest, dat blijft twijfelachtig. Vanuit tekstueel oogpunt kun je denken dat het een kerstcantate is en alle cd-uitgaven scharen hem dan ook onder die noemer maar zou BWV 63 eventueel toch voor een andere gelegenheid geschreven kunnen zijn? We weten het niet. 

 

Ludwig Fischer gaat er van uit dat de cantate dateert uit 1715 of 1716. Hij denkt dat omdat de tekst afkomstig zou zijn van J.M. Heineccius, een theoloog afkomstig uit Halle. We weten dat Bach - in de periode toen hij nog in Weimar werkte - auditie gedaan heeft in Halle (in 1715) en dat hij een jaar later daar weer verscheen i.v.m een inspectie van het orgel. Uit deze contacten zou een uitvoering van deze cantate in Halle zijn voortgevloeid. 

 

Ruth Tatlow veronderstelt dat BWV 63 geschreven werd voor een festival in diezelfde periode maar dan in Weimar. Zij acht het waarschijnlijk dat het werk toch op een plank beland is en pas voor het eerst werd uitgevoerd in Leipzig, op Bach’s eerste Kerstdag als Thomaskantor, 25 december 1723. 

 

Dürr onderwerpt de teksten van deze cantate aan een streng oordeel en zegt vervolgens dat zowel engelen als herders ontbreken wat een indicatie kan zijn dat dit een parodie is van een wereldse cantate. 

 

Het is duidelijk, er is veel ruimte voor speculatie. De discussie hierover gaat nog steeds voort. Weten wij allen dat er een web-site bestaat waar we deze kunnen volgen, eventueel kunnen we zelf een steen bijdragen? De discussie over cantate 63 is gestart in 1999 en duurt nog voort. Zie http://www.bach-cantatas.com. Hier wat citaten.

 

It has been thought that on one of these trips, Bach might have performed BWV 63 in Halle, but timing and the content of the cantata raise doubts about this suggestion. Recently, it has been thought that BWV 63 was probably composed at Christmas 1714/15 for use somewhere other than in Weimar. Bach liked the cantata and performed it for his first Christmas in Leipzig (1723); he used it at least 3 times during his lifetime.

 

As part of the Jubilee Festival of the Reformation in Halle, October 31, 1717, Kirchoff's cantata was presented. Its text is found in a printed collection of festival sermons and commentaries, compiled in 1718 by Johann Michael Heineccius. 

 

There also has been speculation that there may have been a repeat performance of BWV 21 and/or 63 at Christmas 1713 in Weimar as part of a farewell concert for Prince Johann Ernst. 

 

Ik denk dat William Hoffman warm is: 

 

Its origins were and remain obscured in the early part of the second decade of the 18th century when the madrigalian, Italian-style German cantata was being developed and Bach became its most notable practitioner (February 9, 2009). 

 

Over één ding lijkt men het wel eens. Dat BWV 63 een zeer vroeg werk moet zijn. Dit mag ook wel blijken uit het feit dat er geen enkel koraal in voorkomt, de jonge Bach doet niet aan koralen. En ook op andere punten wijkt de cantate sterk af van wat Bach later in Leipzig maakt. De recitatieven bijvoorbeeld. Zij vertonen die zeer directe en rijke muzikale retoriek die karakteristiek is voor Bach’s Weimar periode; in dit opzicht zijn zowel de extase (van 2) als de plechtige toon (van 6) evenzeer indrukwekkend. En dan de aria’s, beide worden gekenmerkt door een bepaald basisconcept wat gebaseerd is op de tekst. Bij 3 is dat op ‘wohl gefüget’ (goed passend) waar we een canon en imiterende stemmen horen en 5 ontwikkelt zich verder rond het vreugdevolle ‘Reihen’ (het vieren) van de gelovige volgelingen. Een overvloed aan verbeeldingskracht en een schitterende klankrijkdom, maar tegelijkertijd juist die eenvoud en directheid, dat maakt BWV 63 tot een van de meest toegankelijke Bach cantates. Anders gezegd; Bach is hier nog jong en zijn muziek ligt goed in 't gehoor. Zo kunnen we het ook zeggen. 

 

Bij Rilling is het koor werkelijk prachtig. De alt Julia Hamari zingt daarna de sterren van de hemel in het mooiste recitatief dat ik ken. En natuurlijk zijn er opnieuw prachtige solisten bij Richter. Maar voor het duet moeten we bij Harnoncourt zijn; ‘Ruft und flieht den Himmel ein’. Dat vind ik zò mooi. Het lijkt wel opgenomen te zijn ergens in een bedompte kelderruimte, maar het blijft een wonderlijk effect, die twee mannen die zich via allerlei wendingen, bijna dansend hemelwaarts bewegen. Wonderlijk! Een prachtige stem die Paul Eswood. De rest van de Harnoncourt-versie is niet geweldig. Op welhaast verbeten wijze zwoegen zowel jongetjes als trompetten zich door de koorpartijen heen. Deze cantate bezit ik ook in een versie door het New London Consort. Die maken er helemaal niets van. JEG wel! 

 

En dan terug naar de schepper van dit alles en naar dat schilderij van Haussman. We ontmoeten in deze cantate, net als in BWV 61 en 62, een componist die de diepe en bevrijdende vreugde van een werkelijk gevoelde liefde aan ons kan overbrengen. Een man met humor, relativeringsvermogen, een levensgenieter. En dat zijn allemaal kwaliteiten die werkelijk volledig ontsnapt zijn aan Haussmann’s oog. Is Bach ingenomen met dit schilderij? We kunnen dat niet weten. Slechts kunnen we vermoeden dat hij respectvol knikt naar de schilder en wat beleefde dankwoorden uit omdat hij immers uitgenodigd wordt om het voltooide portret te bekijken. Maar wat zegt hij als hij thuiskomt? Hoogstwaarschijnlijk krijgt men daar een levendige beschrijving van wat hij gezien heeft, een overdreven pose om dat alles te illustreren - gevolgd door een bulderende lach.


Bekijk hier de repetitie van het slotkoor en verneem John Eliot Gardiner's mening over het schilderij van Haussmann. De Harnoncourt-versie kan ik helaas niet vinden maar hier is dan toch dat wonderlijke duet 'Ruht und flieht den Himmel ein' (uitvoering o.l.v. Richter). Ook mooi. En voor andere speculaties over Bach's uiterlijk verwijs ik naar deze pagina.


Unser Mund sei voll Lachens BWV 110

Van alle christelijke feestdagen is Kerst de enige die tot op de dag van vandaag haar karakter en tegelijkertijd haar oorspronkelijke en algemeen erkende inhoud heeft weten te behouden. Ondanks de kritiek dat het Kerstfeest, dankzij alle wereldse ruis, haar betekenis verliest, zien mensen over de hele wereld de nagedachtenis van Christus’ geboorte als een goede aanleiding om naar de kerk te gaan, wat kerkmusici dan weer inspireert om een speciale, feestelijke kerkdienst aan te bieden. Johann Sebastian Bach en zijn collega’s hebben zo’n ‘externe’ motivatie niet nodig. Die feestelijke dienst op eerste kerstdag markeert het einde van een muzikale ‘onthouding’ zoals die in Leipzig gedurende de Advent nu eenmaal gebruikelijk is. En het onwankelbare geloof in de wederkomst van de Hemelse Koning is reden genoeg om, zoals ook de Drie Koningen doen, alle (muzikale) schatten van de wereld aan de voeten van het nieuwgeboren kind te leggen. Het is een feit; de cyclus van kerkelijke feesten is nu in volle hevigheid aangebroken en er is beslist geen gebrek aan feestdagen en zondagen en die kunnen niet zonder muzikale begeleiding. Bach zal later, dan is het 1734, zijn conclusies trekken door voor deze dagen zijn Kerst Oratorium te componeren, een cantatecyclus die bestaat uit maar liefst zes cantates voor evenzovele feestdagen. Maar nu is het 1725 en hij schrijft hij voor de eerste kerstdag deze cantate, BWV 110,  in een periode dat hij wat minder productief is v.w.b. het componeren van nieuw werk. 

 

Bach begint deze cantate met, zoals hij wel vaker doet, zichzelf te citeren. Het openingsdeel is immers afkomstig uit zijn vierde orkestsuite, het is de ouverture daaruit. Of hij het zichzelf daarmee eenvoudig maakt is zeer de vraag, doorgaans zijn dit soort bewerkingen van eerder geschreven materiaal zeer veeleisend. Door  toevoeging van andere instrumenten, van vocale partijen, moet het geheel totaal herschreven worden. Zo laat hij hier de melodielijn van de eerste hobo nu door twee fluiten ondersteunen en het koor mag meedoen in het allegro. Het is beslist ongewoon, zeker voor wie het origineel kent. Instrumentalisten worden gedwongen om partijen die ze menen te kennen te heroverwegen, plotseling zijn die verdubbeld met stemmen die met uitbundig plezier met hen meedoen. De zangers moeten zich aanpassen aan ingeburgerde gewoontes van de instrumentale partijen. Jawel, dit stuk wordt opnieuw uitgevonden, tot leven gewekt met onverwachte klanken, met een heerlijke verbeelding van 'lachen-in-de-muziek'. Bach schrijft dan ook speciale aanwijzingen voor de wijze van uitvoeren, waarschijnlijk als toevoeging bij heruitvoeringen van deze cantate tussen 1728 en 1731. De muziek is in ‘t geheel niet klein, bescheiden, kamermuziek-achtig. Integendeel. Dit hele stuk legt een onweerstaanbare branie en pronkzucht aan de dag, uitbundig is het, los, maar dankzij natuurlijke elegantie en lichtheid wordt het nooit een boers hossen zoals we dat zien op de schilderijen bij Breughel. Het blijft natuurlijk, elegant, licht van toon.

 

Ook de aria’s zijn mooi. Er is een meditatieve aria voor tenor begeleid door twee fluiten (2) over de menswording van Christus en een alt-aria met gepuncteerd ritme, in muzikaal opzicht een heel stuk verwijderd van een tijdgenoot als b.v. Henri Purcell maar met een tekst die ingegeven zou kunnen zijn door zo’n zeventiende-eeuwse metafysische dichter: 

 

'Ach Herr, was ist ein Menschenkind,

dass du ein Heil so schemrzlich suchest?’

 

In een betoverend duet (5) zingen daarna sopraan en tenor de woorden van de engel uit het Lucas-evangelie ‘Ehre sei Gott in der Hohe’. Dit eindigt in een frivole, in pastorale stijl gehouden verklanking van het tekstgedeelte ‘und den Menschen ein wohlgefallen’waar de stemmen gedecimeerd worden. Bach is tevreden en voegt het later toe aan het Magnificat BWV 243A. De bas-aria die nu volgt, met trompet, strijkers en hobo, is welhaast het prototype van de aria ‘Grosser Herr’ uit het latere Weihnachtsoratorium. Een heroische stijl, energiek, feestelijk en briljant.

 

 

Wat te zeggen van deze cantate. Is dit nu een uitbundig meesterwerk of toch een enigszins geforceerd gelegenheidswerk? Beide. Lachen in de muziek, ik vind het iets...... Dat is altijd een hachelijke onderneming. Het kan eigenlijk niet. Maar in dit geval.

 

Deze cantate kunnen we horen op de tweede kerstdag 2007, 's morgens in de zeer drukke Westerkerk. En dan blijkt opnieuw hoe bijzonder het is, die zichzelf steeds vernieuwende componist die juist als je denkt alles nu zo'n beetje te kennen, die zich dan toch weer van een heel andere kant laat zien. Eerder had ik deze cantate getypeerd als zo'n typische trompetcantate met een nogal gezwollen toon die maar voortduurt van het begin tot aan het einde; die toon van 'wat is onze God toch geweldig'. De toon waar ik niet zo dol op ben. Maar vandaag is het ineens een prachtig, lichtvoetig werk geworden, Hein Meens doet het goed. Blijkbaar doen mijn cd-uitvoeringen de cantate geen recht. Dat geldt voor het verbeten zingen van de jongetjes bij Harnoncourt, het geldt zelfs voor de wat gezapige Werner. Gardiner komt met z’n lichte en dansante toon meer in de buurt maar het meest toch wel Hein Meens op deze zondagochtend in de Wester. 

 

 

Bron; Andreas Bomba