Twee cantates voor Driekoningen (Festo Epiphanias)

Sie werden aus Saba alle kommen   BWV 65

 

Een vloed van kamelen zal je land overspoelen,

jonge kamelen uit Midjan en Efa.

Uit Saba komen ze in groten getale,

beladen met wierook en goud.

Zij verkondigen de roemrijke daden van de HEER. 

 

(Jesaja 60 vs 6) 

 

Uit muzikaal oogpunt is dit toch wel hét prototype van de kerstcantate: uitbundig, feestelijk, en met een dansant karakter. Het grote openingskoor schildert in een voor kerstmuziek typerende 12/8 maat de drie koningen. Ze komen op hun kamelen vanaf Saba om de pasgeboren baby te bezoeken en om hun geschenken aan te bieden. De muziek portretteert ze eerst in een krachtige canon in crescendo, daarna in koraalfuga’s, opbouwend naar het volledige ritornello uit het begin. Er wordt een beeld opgeroepen van een zich verzamelende menigte, men ziet een rijkdom die oogverblindend is. Albert Schweitzer merkt hierover op dat men ze voor zich ziet als op een primitief Italiaans schilderij. 

 

Het eerste koraal etaleert daarna in z’n tonale rijkdom een reflectie op het eerste deel. 

 

'Gold, Weihrauch, Myrrhen brachten sie dar, Alleluja!' 

 

En na een recitatief horen we ook de bas-aria dat feestelijke karakter wat in deze hele cantate de toon zet. Zeer ongewoon in dit deel is het gebruik van twee oboe da cacia in het afkeurende motief uit die eerste maten 

 

'Gold aus Ophir ist zu schlecht' 

 

hetzelfde motief wat steeds maar weer terugkeert in de instrumentale begeleiding. De implicite boodschap luidt dat Jezus niet zozeer uit is op deze aardse offerande, hij wil ons hart winnen. 

 

Het volgende tenor-recitatief, met z’n vele theologische zinswendingen, bespreekt hetgeen wij Jezus aanbieden maar tevens wat Jezus aan ons geeft en dat opent nieuwe vooruitzichten. Dat kan het relaxte, dansante karakter van de nu volgende tenor-aria verklaren. 

 

'Nimm mein Herze zum Geschenke, Alles, alles was ich bin' 

 

We zijn terug bij de volledige orkestklank en bij het opgewekte karakter van de muziek dat verder geïntensiveerd wordt doordat Bach het ritme van een menuet gebruikt en meerstemmige instrumenten inzet (hobo’s en violen) om verschillende teksten te belichten. 

 

Het antwoord hierop is het finale koor waarin niet langer het geexalteerde individu aan het woord is maar de gemeente, verenigd in het geloof, in een simpele zangstijl waarbij weer heel andere aspecten van de kerstvroomheid worden belicht; rust, contemplatie, innerlijke warmte. 

 

'Ei nun, mein Gott, so fall ich dir Getrost in deine Hände' 

 

Dit is de laatste van een serie elkaar opeenvolgende cantates, allen geschreven rond kerst 1724. De eerste daarvan is adventscantate BWV 62 en deze BWV 65 voor Driekoningen is het sluitstuk. Een mooie cantate. Met name de Harnoncourt-opname is heel sfeervol deze keer. Maarten 't Hart zegt dat de thematiek van het openingskoor sterk verwant is met het Preludium in C-groot (BWV 547). In 't Preludium worden echter zulke halsbrekende kunststukken uitgehaald met het thema dat hij daardoor het openingskoor van deze cantate, waarin dat achterwege blijft, nooit zo indrukwekkend heeft kunnen vinden als vele andere Bach-bewonderaars. Maar goed, die handicap heb ik niet en ik zeg verder dat we die ontroerend mooie tenor-aria ‘Nimm mich dir zu eigen hin’ toch wel even moeten noemen. In de Westerkerk, op 29 januari 2011, blijkt dat opnieuw als Robbert Overpelt zijn stem verheft.

Liebster Immanuel, Herzog der Frommen BWV 123

 

De eerste uitvoering van deze cantate is op 6 januari 1725. In het Erato-boekje noemt Maarten 't Hart dit werk een 'Pinkstercantate' maar volgens andere, meer recente bronnen is dit een cantate voor ‘Festo Epiphanias’ ofwel in goed Nederlands ‘Driekoningen’. Eigenlijk refereert de tekst nauwelijks aan deze feestdag dus wij gaan luisteren wanneer het ons schikt.

 

Festo Epiphanias herinnert niet alleen aan de manifestatie van Christus aan de drie koningen maar ook aan zijn latere verschijning op de bruiloft te Kana waar hij water in wijn veranderd. Epiphaneia is grieks voor ‘verschijning’ en in de eerste strofe van de tekst, gezongen door het koor wordt vooruitgelopen op dit verschijnen; ‘Liebster Immanuel, Herzog der Frommen, du meiner Seelen Heil, komm nur bald’. Dit openingskoor wordt volledig gedomineerd door het orkest, het koor begint pas na een instrumentale introductie van niet minder dan 20 maten. Gratieuze klanken horen we in een 9/8 maat, een reminiscentie aan dansen zoals die ooit klonken aan het hof, een paarsgewijs aantreden van fluiten, hobo’s en violen, alternerend gepresenteerd. Daarna is het koorgedeelte eigenlijk heel simpel en homofoon, een sterk contrast met de instrumentale partijen. Maar het is wel zo’n pre-romantische ‘love-song’ die lang in het hoofd blijft rondzweven. Daarna wordt de instrumentale introductie weer herhaald.

 

Er volgen twee recitatief - aria paren, waarna het werk eindigd in een mild wiegend koraal in 3/2 maat. 

 

Van grote schoonheid is de langzame, ietwat chromatische tenor-aria (3) in fis klein waar de tenor zich verenigd met de twee oboe d’amore partijen in een expressief trio. Het gaat hier over de ‘harte Kreuzereise’ naar Golgotha, waarbij Bach vrijwel instinctief in zijn muziek een zware tred en een welhaast ondraaglijk pathos inbouwt. Ten onrechte want zij ontkrachten de woorden ‘schreckt mich nicht’ volledig. Soms lijkt hij in zijn muziek slechts woorden te verklanken zonder aandacht voor wat er eigenlijk gezegd wordt. Er volgen vier maten in een sneller tempo bij de woorden ‘wenn die Ungewitter toben’ om weer snel terug te keren bij een lento als Jezus ons vanuit de hoge zijn ‘Heil und Licht’ zendt. 

 

De tweede aria (voor de bas) is wellicht de eenzaamste aria die Bach ooit schreef ‘Lass, o Welt, mich aus Verachtung’(5). Uiterst fragiele vocale lijnen zijn het, uiterst somber in hun volstrekte isolement. Ze worden enigszins gecompenseerd door de fluit die als een troostende beschermengel inspiratie kan bieden.

 

 

En wat zeggen de kenners over deze cantate?

 

"Die Epiphaniaskantate, 'Liebster Immanuel' gehört zu den herrlichsten Werken Bachscher Musik. Ihr erster Chor erinnert sehr an den aus der kantate 104"

 

zegt Albert Schweitzer. Maarten meldt dat het fraaie openingskoor helemaal niet lijkt op dat van BWV 104. Dus Schweitzer zegt maar wat? Zelf weet ik eigenlijk niet zo goed wat te melden over deze cantate.

 

 

Bronnen: Maarten 't Hart/John Eliot Gardiner