Johannes 1: 1-14. Het woord is mens geworden

Sehet welch ein Liebe hat uns der Vater BWV 64

Voor de kinderen van Johann Sebastian Bach verschijnt er rond de kersttijd geen ‘Weihnachtsmann’ en ook worden er in huize Bach geen kerstspelen opgevoerd. In Leipzig worden deze beide gebruiken beschouwd als bijgeloof en ze zijn in potentie schadelijk voor kinderen. Dat is een opvatting die wij niet kunnen misverstaan bij het lezen van Johann Heinrich Zedler’s Universal Lexicon (Leipzig 1733) en wel onder het hoofdstuk ‘Weynachten’: 

 

“Want het is niet anders dan schaamteloze gekte om te pogen kinderen goed op te voeden door de kerstman aan te halen. Zeker, het is een vorm van afgoderij die, als God zijn oordeel geeft, voor ouders zó slecht kan uitpakken dat zij het de rest van hun leven zullen betreuren..... Alle kerstspelen zijn van generlei waarde. En al maakt men duizend verontschuldigingen, grappen over dergelijke ernstige aangelegenheden blijven niettemin zonde; het is onbetamelijk voor christenen.” 


Duidelijke taal, maar er blijven hoe dan ook toch wel wat feestelijkheden over. Zedler moedigt het schenken van nuttige cadeau’s aan de kinderen van harte aan en er is feestmuziek. Eén van de voornaamste heerlijkheden voor de koorknapen van st. Thomas School is de zes weken lange voorbereiding van hun kerstmuziekboeken. Schitterend gecopieëerd en overvloedig gedecoreerd met zorgvuldig gekozen patronen worden uiteindelijk de nu complete delen overhandigd aan de met recht trotse en goed schoongepoetste leerlingen als ze bijeenkomen op kerstavond. Voor elk kind is een grote kerstkandelaar aangeschaft. Die wordt ontstoken en om exact 4 p.m. gaan de leerlingen in een processie, twee aan twee met hun klasgenoten de binnenplaats over naar st.Thomas. De kerk toont feestelijk en dat wordt nog versterkt door een ongewoon mengsel van dampen en rook afkomstig van verschillende toortsen en kandelaars. De vieringen beginnen officieel op kerstavond, daarna zijn er in de tijd van Bach nog drie officiele feestdagen; de eerste, de tweede en de derde kerstdag. De tweede en de derde kerstdag vallen samen met de feesten van respectievelijk st. Stefanus en st. Johannes, de evangelist. 

Zoals BWV 63 bedoeld is voor de eerste kerstdag zo componeert Bach cantate 64 voor zondag 27 december 1723, twee dagen later. Het is niet zeker of deze cantate bedoeld is om de 3e kerstdag te vieren of wellicht toch meer de gedenkdag van st. Johannes. De tekst doet eerder aan Johannes denken. 

Opvallend is dat Bach maar liefst driemaal gebruikt maakt van een koraal, waarvan alleen nr. 2 gebaseerd is op een kerstlied. Nog meer opvallend; dit is dan eindelijk eens een cantate waarbij de meningen van de deskundigen verdeeld zijn, zeer verdeeld. Wordt in de Rilling en de Harnoncourt toelichting gesproken van een waarachtig, ja zelfs een vernieuwend kunstwerk, zo niet bij de Gardiner-uitgave die meer rept van een haastklus. Wat we daar lezen doet eerder denken aan broddelwerk dan aan geïnspireerde muziek. Interessant. 

“Het lijkt wel of Bach deze cantate onder grote tijdsdruk componeert: hij opent met een motet wat I Johannes 3:1 citeert, een tekst die voor vele gelegenheden passend is en eerder geschreven kan zijn; en verder zijn drie van de acht delen eenvoudige vierstemmige harmonisaties van een koraal. Door het gebruik van een bestaand motet en door met een sneltreinvaart drie koralen te componeren ontstaat er tijd om zich te concentreren op het schrijven van twee korte recitatieven en de twee aria's. Het feit dat de beide aria's hun ‘da capo pause’ reeds vinden in maat 50 is opnieuw een zeker teken dat Bach componeert tegen de klok in.” 

Tot zover deze wat kritische noot uit de toelichting. Vergelijk deze korte beschouwing uit het Gardiner-boekje eens met de wijdlopige, zeer gedetailleerde tekst die je bij de Rilling-uitgave vindt. Deze tekstschrijver gaat nl. uittermate diep in op de vele fragmentarische details uit deze cantate en ziet er juist vele aanwijzingen voor een expansieve vernieuwingsdrift in.


En dan de verschillende uitvoeringen. We worden direct op het verkeerde been gezet door dat gejaagde, geluidstechnisch wat minder geslaagde begin bij Harnoncourt. Maar de wending komt al bij 2, een 'choral', verrassend genoeg. En het nu volgende recitatief gaat al snel opnieuw over in een koraal. Heel bijzonder. Bij Rilling moeten we erg lang wachten tot het mooi wordt nl. tot de altaria 'Von der Welt verlang ich nichts'. Maar diezelfde aria klinkt bij Harnoncourt juist nog mooier, het lijkt daar wat oprechter gemeend, intiemer haast. Wat een prachtige mannenstem is dat! Het is opnieuw Paul Esswood die ik al eerder bewonderd heb in dit web-log. Nu hoor je hoe mooi een counter kan zijn. Ook de hobo is prachtig. Dan volgt een bekende slotzang, althans voor wie vroeger ter kerke ging bij de gereformeerden: 

'Evangeliewoord' 

Een John Eliot Gardiner -versie is ook aanwezig in de collectie en natuurlijk is dat een topper door het vele koorwerk in deze cantate. 

 

 

 

 

Ich freue mich       in dir                   BWV 133

De enige (althans bij mij bekende) cantate die het ooit tot het kleinkunstpodium heeft gebracht. Hans Dorrestein citeert de titel in een lied, een duet wat zich verder in een bordeel afspeelt. Een van de gasten aldaar bezigt al doende de uitspraak; ‘Ich freue mich in dir’.

 

Het is desalniettemin een koraalcantate geschreven voor het feest van st. Johannes de evangelist, bedoeld voor de 27ste december 1724.  Derde kerstdag is dat dus maar met geen enkele referentie daaraan. Het koor wordt in deze cantate met heel veel zachtheid tegemoet getreden wat wellicht verband houdt met de grote eisen die aan het koor van St. Thomas gesteld worden in deze kersttijd, en met het zingen van carols in de open lucht wat aan de kerkdienst vooraf gaat. Dus Bach beperkt hun inbreng tot een recht-toe-recht-aan-harmonisatie van het koraal die maar heel even uitloopt op een simpele polyfonie. Met weinig, dan wel geen repetitie kan hij zo volledig vertrouwen op zijn strijkers, die moeten dan ook de spirit geven aan die uitgebreide concertante vreugdedans die hem voor ogen staat. En de solisten, die krijgen natuurlijk ook een groot aandeel. Zachtaardige stukken zijn het, die een troostrijke cantate creëeren ter ere van Jezus die nu weer eens betiteld wordt als ‘mein liebes Jesulein’ en dan weer als ‘der allerhöchste Gott’

 

De ‘süsser Ton’ waarvan sprake is in het openingskoor wordt gesuggereerd door het in orkest de klank van belletjes te verbeelden. Al in de eerste maten horen we dat en steeds opnieuw blijven deze een rol spelen. Ook bijzonder; de beide oboe d’amore verdubbelen hier de tweede violen en de altviolen waardoor de eerste violen vrij zijn voor een glansrol, hoog verheven boven de rest (de middenstemmen). Eigenlijk krijgen ze daarmee een virtuoze, welhaast solistische partij toebedeeld. Die simpelheid van de koraalpartijen eindigt even in de zesde frase ‘Ach, wie ein süsser Ton!’ Om extra aandacht vestigen op de ‘grosse Gottessohn’ houdt het koor plotseling in met jachtige, echoënde zestienden.

 

Iets van die energie en die brille van het openingskoor wordt voortgezet in het vervolg, een alt-aria waarbij de hobo’s in een triomfantelijke, drievoudige fanfare naar voren treden bij het woord ‘Getrost’ wat er op duidt dat Bach deze tekst opvat als een zeer dringende oproep.

 

Het recitatief van de tenor gaat 2 x over in een arioso refererend aan het koraal en wil ons met toenemende intensiteit overtuigen van de heerlijkheid om God te mogen aanschouwen, face to face.

 

De da-capo aria van de sopraan (4) vormt het hart van deze cantate. Het sleutel idee van de opening ‘süsser Ton’ wordt nu geopenbaard. Het is de aankondiging ‘Mijn Jezus is geboren’ waaraan Bach een melodische frase toewijst die zo afkomstig zou kunnen zijn uit een koraal of uit een volkslied. Ook hier weer virtuoze uithalen van de eerste violen, die bij ‘Wie lieblich klingt es in den Ohren’ rinkelende belletjes imiteren met hun 'bariolage‘-techniek: een toon snel herhalen, afwisselend op een losse en een bevingerde snaar. Anders klinkende bellen zijn er in de meer pastoraal klinkende B-sectie, boven die lyrische meditatie van solo viool en sopraan over de naam Jezus horen we unisono tweede violen en altviolen. En natuurlijk - we zijn immers nog altijd bij Bach - wordt dit alles wel wat verstoord met een chromatiek die refereert aan het ‘stenen hart’ dat weigert dit alles te erkennen.

 

Het openings deel van deze cantate is mooi: een mengeling van de hymne met weer zo'n heerlijke, totaal onafhankelijke orkestpartij. Maar verder heb ik gemengde, dan wel geen gevoelens over dit werk. Zelfs over de Gardiner-versie ben ik in de diverse notitieboekjes niet eensluidend; countertenor Derek Lee Ragin vind ik beurtelings ‘lelijk’ en ‘wel meevallen’. Katharine Fuge is natuurlijk een fenomeen. Hoe is zij in vergelijking met het jongetje wat we bij Leonhardt horen? Uiteindelijk is mijn conclusie dit alles niet zo bijzonder is; een routinematig geheel wat nog het meest tot zijn recht komt bij de tamelijk frisse stemmen van het Leonhardt-Consort.

 


Süßer Trost, mein Jesus kömmt BWV 151

Geschreven voor derde Kerstdag met als consequentie dat Bach het koor van st. Thomas - dat hard gewerkt heeft - alleen een kleine rol toebedeelt in het eenvoudige slotkoraal.

 

De openingsaria voor sopraan domineert het werk en verleent een warme gloed aan de hele cantate. De toonsoort van de aria is G majeur en met een 12/8 maat, een tempo aangeduid met molto adagio en met een begeleiding van fluit, strijkers en hobo d'amore. Die laatste is toegevoegd om zo de eerste violen te verdubbelen. En het is angstaanjagend mooi. Is het de Maagd zelf die hier een slaapliedje zingt voor haar pasgeboren kind of is dit de troost die de kwetsbare gelovige ten deel valt door Jezus’ komst op aarde? Hoewel het onmiskenbaar Bach is en onuitsprekelijk vredig van stemming, hoor je muzikale pre-echo's van zowel Gluck als Brahms, terwijl de arabesken van de fluit zelfs iets als volksmuziek suggereren, misschien wel van Levantijnse of zelfs Baskische oorsprong. Elke associatie met het mijmeren van de Madonna is snel verdwenen op het moment dat het 'B-gedeelte’ losbarst in een extatische alla breve vreugdedans, deels gavotte, deels gigue. Hoe dan ook; een dans!

 

'Hart en ziel zich verheugt U'

 

Fluit, sopraan en de eerste violen juichen hier in een stijl en stemming die herinnert aan de muziek die Händel schrijft, als hij als jonge man, in Italië voor het eerst in aanraking komt met de werken van Scarlatti en Steffani. Na de dans is er de terugkeer naar het wiegelied.  

 

Het is onvermijdelijk; deze inspirerende aria overschaduwt alles wat hierna volgt. Een paar secco recitatieven (nrs. 2 en 4) omlijsten de alt-aria 'In Jesu Demut', een lofzang op de spirituele rijkdom die we kunnen vinden in Jezus’ armoede en nederigheid. De 'slingers van zegen' (Segenskränze) waarover in het B-gedeelte gesproken wordt lijken een inspiratiebron voor de hele aria, met inbegrip van de melodische lijnen in de reguliere baspartij. 

 

De achtste strofe van Nikolaus Herman koraal 'Lobt Gott, ihr Christen allzugleich'(1560) waarmee de cantate eindigt is ronduit stevig. Er moet een extra dosis feestelijke spiritualiteit tot leven gebracht worden, een beetje zoals de brandewijn de Christmas pudding in vuur en vlam zet.

 

Alle commentaren bij deze cantate verwijzen naar die ene aria, nl. die voor de sopraan.

 

Dürr:

 

"Die Eingangsaria gehört zu den glücklichsten Eingebungen Bachs."

 

Whittaker:

 

"To the soprano is alloted one of the most supremely beautiful arias in the whole range of the cantates."

 

't Hart:

 

"Het is niet zo maar een aria, het is een heel fluitconcert. Ik kan niet begrijpen dat zo'n stuk als dit niet wereldberoemd is en dat het niet, zoals de vier jaargetijden van Vivaldi in tientallen uitvoeringen voorhanden blijkt. Ik herinner me als de dag van gisteren dat er warempel een Nonesuch-opname van deze cantate verscheen. Die heb ik toen drie weken lang elke dag zo'n tien keer gedraaid. Dit is niet alleen Vestdijk ontgaan maar ook zoveel anderen. Ik begrijp er niets van dat tienduizenden de Matthäus Passion noot voor noot kennen, maar nog nooit de sopraan-aria uit cantate 151 hebben gehoord."

 

Nieuwkerk:

 

"Pas als ik Rilling beluister ga ik deze cantate waarderen. Prachtige zang, de sopraan-aria springt eruit."

 

Dat wordt bevestigd door Maarten die meldt dat de hoge stem van Nabuko Gamo-Yamamoto een regelrechte sensatie is. Wel is, zegt hij, de dwarsfluit vals en wordt de muziek zo gebonden gespeeld dat ze stroperig lijkt. Maar persoonlijk hou ik wel van dat soort romantiek.

 

Deze cantate bezit ik ook in een versie met Pears/Britten. Die voegt niets toe aan wat Rilling doet en van Harnoncourt was ik dus helemaal niet enthousiast geworden. Dan zit ik alweer op één lijn met Maarten die zegt dat het orkest daar zo akelig dof klinkt, het lijkt alsof men in een bushokje musiceert. En de jongenssopraan is van een zodanige nagalm voorzien dat het lijkt of het kind zijn valse noten in een zwembad voortbrengt. Treffend verwoord!