Op deze pagina ook een aantal cantates uit deze periodeBWV 4, 71, 106, 131, 143, 196.


Mühlhausen (1707-1708)

In 1707, werd Bach organist van de Blasiuskirche in de vrije rijksstad Mühlhausen. In vergelijking met zijn vorige baan betekende deze aanstelling voor Bach een vooruitgang. De 'vrije rijksstad' Mühlhausen was een veel grotere stad dan Arnstadt en de functie van organist in de Blasiuskirche stond in de stad in hoog aanzien, in tegenstelling tot de functie van organist in de Neue Kirche in Arnstadt. In het contract was overeengekomen dat Bach een jaarsalaris van 85 florijnen zou ontvangen (hetzelfde salaris als hij in Arnstadt had ontvangen, maar twintig florijnen meer dan dat van zijn voorganger) en daarnaast een salaris in natura (brandhout, aanmaakhout en graan). Als tegenprestatie werd van Bach verwacht dat hij zich loyaal tegenover het stadsbestuur zou opstellen en dat hij "zich bereid zou tonen om de taken die van hem werden verwacht uit te voeren en te allen tijde beschikbaar zou zijn en zich met name oprecht en ijverig in zou zetten voor diensten op zondagen, feestdagen en andere heilige dagen, dat hij het orgel dat hem was toevertrouwd op zijn minst in goede conditie zou houden, dat hij de daartoe aangewezen personen op de hoogte zou brengen van enig defect en dat hij zorgvuldig zou toezien op de reparaties en de muziek".[3] Verder werd – stilzwijgend – van Bach verwacht dat hij zou samenwerken met de stadsmusici en met koorzangers en instrumentalisten van het plaatselijke gymnasium. Op 1 juli 1707 trad Bach in dienst.

 

In Mühlhausen ging Bach voor het eerst in zijn leven zelfstandig wonen. Korte tijd na zijn indiensttreding (op 17 oktober) trouwde hij met zijn achternicht Maria Barbara Bach, dochter van de gerenommeerde componist Johann Michael Bach. Ze trouwden in de dorpskerk van Dornheim, 3 km ten noordoosten van Arnstadt.

 

Begin februari 1708 voerde Bach daar zijn eerste cantate in zeer grote vocaal-instrumentale bezetting uit: Gott ist mein König, dat hoogstwaarschijnlijk gemodelleerd is naar twee grote oratoriumcomposities van Dietrich Buxtehude, bij wie Bach ruim twee jaar eerder in Lübeck op bezoek was geweest. De cantate – officieel met 'Motetto' aangeduid – werd geschreven ter gelegenheid van de (jaarlijkse) verkiezing van het nieuwe stadsbestuur van Mühlhausen. De autoriteiten waren dermate onder de indruk van de compositie dat zij besloten om het muziekstuk in gedrukte vorm, in aparte stemboeken, uit te geven (een eer die eertijds reeds beroemde componisten als Georg Philipp Telemann en Georg Friedrich Händel nog niet was toegevallen).

 

In juni 1708 vertrok Bach naar Weimar, alwaar het orgel van de hofkapel net was gerestaureerd. Bachs beschermer, de hoforganist Johann Effler, was ziek en vond zichzelf niet in staat om het gerestaureerde orgel te keuren en in te wijden. In plaats hiervan vroeg hij Bach over te komen om deze taak uit te voeren. Dit deed Bach en zijn orgelspel viel bij hertog Willem Ernst van Saksen-Weimar dermate in de smaak dat Bach een aanbod kreeg hoforganist te worden tegen een jaarsalaris van 150 florijnen. Bach ging onmiddellijk akkoord met dit aanbod en tekende op 20 juni 1708 het contract. Vijf dagen later, op 25 juni 1708, diende hij in Mühlhausen zijn ontslag in. In zijn ontslagbrief schreef Bach dat hij door dit salaris een "aangenamer leven kon leiden" (zijn vrouw was net zwanger van hun eerste kind) en daarnaast dat hij in Weimar alleen met professionele musici hoefde te werken.

 

Ondanks het feit dat het snelle vertrek van Bach werd betreurd, bleef de verstandhouding tussen Bach en Mühlhausen goed. De volgende jaren zou Bach nog tweemaal een cantate bij de verkiezing van het nieuwe stadsbestuur van Mühlhausen componeren en persoonlijk overkomen om de uitvoeringen te leiden. Beide cantates zijn verloren gegaan. Later, in 1735, zou Bachs derde zoon Johann Gottfried Bernhard Bach in Mühlhausen organist worden in de Marienkirche, de lutherse hoofdkerk van Mühlhausen. Bij de auditie van zijn zoon werd Johann Sebastian Bach als eregast ontvangen en inspecteerde hij gratis het orgel van deze kerk.

 

(Wikipedia)

Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir BWV 131



'Kijk,' zei zijn moeder. Ze stond voor het gasstel en wees achter zich op het aanrecht. 'Bedoel je die fles?' vroeg hij. Er stond een fles met donkerrode vloeistof. Op de hals zat een oranje capsule. Hij trad naderbij. 'Wat is dat?' vroeg hij. 'Ik heb een fles wijn gekocht voor vanavond,' antwoordde ze, een aantal oliebollen uit de braadpan wippend. 'Dat is prachtig,' zei Frits. Hij nam de fles bij de hals op. Er zat een blauw etiket op met een gele rand. 'Bessen-appel,' las hij zacht. 'Bessen-appel,' zei hij bij zichzelf, 'bessen-appel. Help ons, eeuwige, onze God. Zie onze nood. Uit de diepten roepen wij tot u. Verschrikkelijk.'

 

(uit ‘de Avonden’, Gerard Reve)

 

 

 

Frits van Egters is niet de enige die vanuit de diepten tot ons roept. Velen gaan hem voor. Luther natuurlijk, maar eerder is daar nog de dichter die ons de 130ste psalm schenkt. En dan is daar Bach die deze tekst kiest voor een van zijn eerste cantates. Velen gaan er van uit dat BWV 131 zijn allereerste cantate moet zijn maar er is veel onzekerheid op dat gebied. Ik heb zelf - in mijn oneindige wijsheid - besloten dat 150 de eerste is en bij mij is 131 nummer 2.

 

'Aus der tiefen rufe ich, Herr, zu dir' heeft, dat mag duidelijk zijn, niets van doen met moeders die verkeerde wijn aanschaffen. De cantate wordt geschreven voor een ‘boetedienst’ na de grote brand die Mühlhausen teistert op 30 mei 1707, vlak voor Bach daar aantreed als organist in de Blasiuskirche. 360 huizen in de benedenstad gaan bij de brand verloren. Bach is 22, hij staat aan het begin van zijn carrierre en het duurt nog lang voordat (vanaf 1723) zijn massale cantateproduktie in Leipzig op gang zal komen. Hij heeft zich de afgelopen vier jaar in de luwte van een rustig organistenbaantje in Arnstadt kunnen ontwikkelen als orgelvirtuoos, als componist en orgeldeskundige. Anderhalf jaar geleden bezocht hij zijn idool Buxtehude in Lübeck. Voor Bach is zijn verblijf in Mühlhausen slechts een korte tussenstop. We mogen er van uit gaan dat hij andere ambities heeft. Op 17 oktober zal hij trouwen met zijn achternichtje, de zangeres Maria Barbara, en binnen het jaar vertrekt hij naar Weimar waar hij negen jaar zal blijven, eerst als organist, kamermusicus en later zal hij bevorderd worden (in 1714) tot kapelmeester aan het hof. 

 

Voor wie enigszins bekend is met Bach’s werk valt direct op dat wat we hier horen sterk afwijkt van zijn latere werk. Geen recitatieven in deze cantate, niet het gebruikelijke slotkoraal en evenmin da-capo-aria's zoals hij die later zal schrijven naar het voorbeeld van de Italiaanse opera. Anderzijds heeft het koor hier nu juist een veel groter aandeel dan in later werk waar het zijn rol veelal beperkt ziet tot een openingskoor en een slotkoraal. De orkestratie is kamermuziekachtig; een viool en twee altviolen, aangevuld met een hobo. De structuur en het arrangement zijn gedacht vanuit het motet en het gewijde concerto, vormprincipes geheel in de Noord-Duitse traditie van zijn bewonderde voorbeeld Buxtehude. Nee, vernieuwend is het niet wat Bach hier doet, maar tegelijkertijd geeft hij er een onovertroffen inhoud aan. In deze cantate gaan de delen nog, zoals bij 17e eeuwse motetten, (vrijwel) ononderbroken in elkaar over en er vindt een levendige, soms zelfs grillige wisselwerking plaats tussen solisten en koor. De teksten worden ontleend aan de bijbel (Psalm 130) en aan het protestantse kerklied. Er komt dus geen enkele gelegenheids-tekstdichter aan te pas. Dat wordt later wel anders, zoals velen van ons weten en dat komt de kwaliteit niet altijd ten goede. 

 

Wat Bach ertoe brengt om in zijn stijl zo nauw aan te sluiten bij de stilistische ontwikkeling aan het eind van de zeventiende eeuw, waarom hij zich helemaal niet inlaat met eigentijdse tendensen zoals recitatief en da capo-aria, het is niet bekend. Dat hij uit zichzelf besluit om tegen de stroom in te zwemmen is niet zo waarschijnlijk. Het ligt meer voor de hand dat hij tegemoet komt aan de adviezen of verzoeken van zijn werkgevers in Mühlhausen en dat hij zich aanpast aan de muzikale tradities van zijn ambts-voorgangers. Maar dat maakt het wel fascinerend om het resultaat hiervan te zien; de uitgesproken muzikale kwaliteit van deze cantate is het resultaat van enerzijds een streven naar traditie en symmetrie, anderzijds het conflict tussen het 'niet langer' van het motet en het Geistliches Konzert en het 'nog niet' van de latere cantates waarin hij alsnog de Italianiserende mode zal gaan volgen. Het resultaat is een verrassende afwisseling en vormenrijkdom die deze cantate een frisheid geven die Albert Schweitzer brengt tot zijn uitspraak dat men gaarne honderd latere cantates inruilt voor tien van deze oude.

 

Dit is een cantate die nogal eens live wordt uitgevoerd. Buitengewoon mooi zingt Fabio Triumpy de tenorpartij in de Westerkerk op 26 mei 2007. En wat betreft de cd-opnames is dit een interressante cantate om te vergelijken; de kenmerken van de verschillende uitvoeringen zijn zeer nadrukkelijk aanwezig. De kamermuziek-achtige, door jongensstemmen gedomineerde authentieke opvatting van Harnoncourt is een groot contrast met de meer romantische, grootschalige opvatting van Rilling. En wat resteert er van dit werk als je het door een solistenkwartet laat uitvoeren? Weinig, zo blijkt als je de Taylor-uitvoering beluistert. Zowel de koorpartijen als ook die voor de solisten lijden hieronder. Er is in feite weinig reden om het zo te doen.

 

 

 

 

"Uit de diepten heb ik geroepen,' zei hij bij zichzelf, 'maar mijn stem is niet gehoord. Bessen-appel. Nu ga ik op weg naar huis. Eeuwige, enige, onze God, ik ga naar mijn ouders. Zijn ogen werden vochtig.”

 

 

(uit ‘de Avonden’, Gerard Reve)

 

 

 

Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit         BWV 106


Op zoek naar de kracht die achter het leven schuilt liepen de fysiologen en anatomen van de achttiende eeuw steeds weer tegen hetzelfde probleem aan; de vraag waar de ziel zich bevind, en waaruit ze bestaat. Dat met het intreden van de dood de ziel uit het lichaam verdwijnt was bijvoorbeeld zonneklaar, maar aangezien er voor en na het sterven geen gewichtsverschil kon worden waargenomen moest de anima, zoals de ziel in goed latijn werd genoemd, wel zoiets zijn als een bijzonder vluchtige damp, die bovendien slechts uit enkele atomen kon bestaan. Nog problematischer was de ontdekking die de zwitserse onderzoeker Abraham Trembley in 1744 deed. Tijdens het bestuderen van een primitief waterdiertje, de zoetwaterpoliep of de hydra, kwam hij erachter dat hij het dier ongestraft aan stukken kon snijden; uit elk deeltje groeide dan weer een nieuw exemplaar. Maar hoe zat het dan met de ziel? Was die ook in mootjes gehakt? 

 

De oorzaak van al deze zorgen was natuurlijk dat de mens, en misschien ook het dier, in het bezit was van een onsterfelijke ziel. Het ontkennen van dat dogma stond gelijk aan godslastering. Componisten hadden met zulke dilemma’s niets te maken. Bij Johann Sebastian Bach is de ziel een sopraan, een vrouw dus (misschien wel een jongetje) die zich halverwege cantate 106 losmaakt uit het koor en zich eenzaam bij zijn of haar schepper voegt, onder het zingen van ‘Ja komm, Herr Jesu, Herr Jesu’. Dat zijn de laatste woorden uit de bijbel en dat is niet voor niets. 

 

Cantate BWV 106 draagt als ondertitel Actus Tragicus en het is een begrafeniscantate. Het is één van de eerste uitingen van Bach waarin hij de betekenis van de dood voor de christen behandelt: een overgangsslaap is het, leidend naar een nieuw leven. Geïntroduceerd door een korte sonatina bevat ook dit werk - zoals alle vroege cantates van Bach - geen recitatieven en geen da capo aria's. Het is een opeenvolging van aan elkaar gekoppelde fragmenten, zelfs in de koorgedeelten. Het is een werk met een doortimmerde architectuur vol bloemrijke details die met recht barok genoemd kan worden. Het is gebaseerd op een collage van bijbel- en koraalteksten. De drie vocale delen bestaan uit verschillende aaneengesloten maar duidelijk te onderscheiden onderdelen. Het is muziek waaraan veel te ontleden valt en dat is de afgelopen eeuwen dan ook met grote ijver gedaan door musicologen. De anatomie hebben ze kunnen beschrijven, maar netzomin als Abraham Trembley hebben ze de ziel ervan kunnen traceren. Daar komt nog bij dat die zich anders dan die van de zoetwaterpoliep - niet in stukjes laat delen. 

 

BWV 106, de Actus Tragicus, is voor het eerst uitgevoerd op 14 augustus 1707 in Arnstadt of in Mühlhausen naar alle waarschijnlijkheid bij de begrafenis van de oom van Bach langs moederskant, een zekere Lämmerhirt. Het is één van de meest gespeelde cantates, en er zijn dan ook talloze uitvoeringen van. Maar blijkbaar moet ik aan deze cantate wennen want aanvankelijk ben ik er helemaal niet zo enthousiast over. Ik noem hem 'als geheel niet zo geslaagd, wat wezensvreemde, etherische muziek'. Maar bij Maarten 't Hart (lees ik tot mijn verbazing) komt deze cantate in de eredivisie tussen cantate 104 en 198, kortom; dit zou een 'Gesamtkunstwerk' moeten zijn. Pas door de versie van Helmuth Rilling begin ik deze muziek te waarderen. Dan gaat het in mijn notitieboekje ineens over een 'prachtige inzet, etherische muziek'. Het blijkt nu een mooi, wat experimenteel stuk 'reli-theater' te zijn met af en toe een kamermuziek-achtige orkestratie. 

 

Doordat het zo in trek is bij musici toen en nu betekent dat we met deze cantate een prachtig inkijkje krijgen in de ontwikkeling van de uitvoeringspraktijk want steeds zit er tussen alle opnames die ik bezit een tijdperk van ruim tien jaar. De oudste uitvoering is er één uit 1953; het Vienna State Opera Orchestra and Choir (of heet het nou voor deze gelegenheid the Bach Guild, ik kan dat uit de tekst niet opmaken). Hij klinkt zoals je zou verwachten: de koorzang is gedateerd plechtstatig, het kamermuziek element is volkomen afwezig. Een veel te groot orkest. Moet ik hem wel helemaal beluisteren? Vervolgens hoor ik er èèn o.l.v. Wolfgang Gönnenwein, het is inmiddels tien jaar later (1965). Geen onaardige uitvoering maar niet mijn favoriet. Dan volgt dus Rilling (1975) en Leonhardt (1980), vervolgens Gardiner uit 1989.

 

Inmiddels bezit ik nog een oudere opname; Scherchen. Zijn opname, eveneens met het VSOO is nog ouder nl. uit 1950. Als je het hoort besef je wat een ontwikkeling er is geweest, ook in de klassieke muziek. Het plechtstatige van de 50-er jaren horen we terug in de muziek. 

 

 

Der Herr denket an uns BWV 196


BWV 196, een werk van bescheiden omvang, 10 a 11 minuten luisterplezier. Een lichte toon in deze muziek, relatief ongecompliceerd. 'No depth of emotion', zegt Whittaker. 

 

Deze cantate is, daar gaan we nu van uit, rond 1707/08 ontstaan en hoort daarmee bij de zes vroegste cantates op deze pagina. De stijl van Bach’s tijdgenoten en voorgangers sijpelt hier en daar door. Maar toch, de tweeëntwintigjarige componist laat ook horen - in een italianiserend preludium, in het contrapuntische tweede deel en in de dubbelfuga aan het einde - dat hij ook op deze leeftijd een vakman is. Anderzijds is het ook duidelijk dat Bach zijn vorm nog moet vinden. Wel horen we in de sopraan-aria iets nieuws; de vocale partij ontwikkeld zich daar geheel vanuit de obligate vioolpartij - dit is het oudste voorbeeld waar Bach deze techniek gebruikt.

 

We weten niet voor welke gelegenheid dit werk geschreven is maar mogelijk is dat geweest het voor huwelijk in 1708 van pastor Johann Lorenz Stauber met Regina Wedemann, zij is de tante van Bach’s vrouw Maria Barbara. Het jaar daarvoor heeft Stauber het huwelijk van Bach ingezegend. De tekst van de cantate vraagt om een zegening van huis en kinderen, dat versterkt wellicht het vermoeden dat het hier gaat om een huwelijkscantate.   

 

Het begin, een sinfonia, is een vredig, kalm en opgewekt stuk en een typisch voorbeeld van de stijl van Bach's vroege cantates. Het aansluitende koorwerk ‘Der Herr denket an uns’ is geschreven in een prelude-fuga-vorm zoals je die vaak bij orgelwerken aantreft. Na de sopraan-aria volgt dan een duet van tenor en bas, wat levendiger en ook met wat contrapuntisch werk in het middendeel. Het slotkoor met de tekst ‘Ihr seid die Gesegneten des Herrn...’ treft in zijn muzikale uitwerking heel goed de essentie van deze vrome woorden. Het koor zwelt aan op het eind voor het met een echo eindigt, dat is vergelijkbaar met die andere Mühlhausen cantate ‘Gott ist mein König’ BWV 71.

 

Het geheel is - vele jaren later - genoteerd in het handschrift van een student van Bach uit Leipzig.

 

 

Persoonlijk vind ik deze cantate niet enerverend. De voorlaatste aria (het duet) is nog wel aardig maar dit redt de zaak niet. De Rilling-versie haalt bij mij nog net het predikaat 'niet onaardig' maar de versie van het Bach Collegium Japan is juist weer behoorlijk slaapverwekkend. Een goede reden om dan op 17 mei 2009 naar het concertgebouw te gaan waar Jos van Veldhoven zijn licht hierover zal laten schijnen, bijgestaan door de Nederlandse Bachvereniging. Maar nee, ook een live-uitvoering geeft geen nieuwe gezichtspunten. Het orkest zit hier in een zeer kleine bezetting, het koor is een dubbelkwartet, aan beide zijden van het orkest opgesteld waarbij kwartet 1 (zij staan links) ook solistisch optreedt. Ik vind zo’n kleine bezetting altijd wat sneu. Het contrast solist - koor, met andere woorden het individu dat zich meet met de groep, het komt op deze manier helemaal niet tot uiting. Wat is mooier als een solostem zingend met het koor, zingend tegen het koor in? Het individu tegenover het collectief, de enkeling tegenover de maatschappij. Dat is mooi.

 

Maarten ‘t Hart zegt ook iets over deze cantate. Hij vindt het toch wel frisse, levendige muziek van de jonge Bach.

 

 

 

 

 

 

 Cantates uit de periode Mühlhausen

 

131 Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir
106 Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit

71 Gott ist mein König
196 Der Herr denket an uns

143 Lobe den Herrn, meine Seele

4 Christ lag in Todesbanden

  

                                                                                                                                     Naar Weimar

Gott ist       mein König BWV 71


"Wij, leden van de gemeenteraad te Mühlhausen, stellen u voor om de heer Adolf Strecker, die reeds sinds zijn 71ste jaar alhier het ambt van burgemeester bekleedt, ondanks zijn vergevorderde leeftijd, wegens gebleken bekwaamheid voor deze belangrijke taak, nogmaals te benoemen tot onze burgemeester".

 

Nee, we zij dit keer nu eens niet in de kerk, plaats van handeling is dit keer het stadhuis. Een tekst als deze moet zijn uitgesproken bij de installatie van de nieuwe gemeenteraad van Mühlhausen op 4 februari 1708. Voor een goed begrip van deze wereldlijke cantate is deze informatie onmisbaar, zoals we straks zullen zien. Daarnaast is het belangrijk om ons te realiseren dat de overheid volgens Rom. 13 (en op vele andere Bijbelplaatsen komt dat terug) gezien moet worden als een verlengstuk van Gods regering over deze wereld. In onze huidige democratie zijn de opvattingen hierover nogal veranderd, maar voor Bach is dit de normale realiteit. In een 'wereldlijke cantate' als deze vinden we dan ook bepaald geen 'wereldlijke' tekst, maar veeleer een openlijke belijdenis van een door en door bijbelse waarheid: 

 

‘Gott ist mein König’

 

De tekst is afkomstig uit Psalm 74 vers 12 (God is mijn koning van oudsher, die in het midden der aarde verlossing bewerkt). Meer teksten in deze cantate zijn afkomstig uit deze psalm, nl. vers 16 ‘Uwer is de dag, Uwer is ook de nacht; U bent het, die hemellicht en zon hebt gesteld. U bent het, die al de grenzen der aarde hebt bepaald’ en vers 19 ‘Lever de ziel van uw tortelduif niet over aan de vijand’. Behalve teksten uit deze psalm horen we ook citaten uit 2 Samuel 19, waar een 80-jarige Barzillai, dienaar van koning David, van zichzelf zegt dat hij nu toch echt te oud is om met de koning mee te gaan. Hij zou de koning maar tot last zijn en wil liever sterven in zijn eigen stad en bij zijn vader en moeder begraven worden. Tenslotte klinkt er nog een citaat uit Gen. 21 vers 22 ‘God is met u in alles wat u doet’, een constatering van koning Abimelech betreffende de dan reeds 100-jarige Abraham. We horen in deze cantate dus uitsluitend bijbelteksten waarin de betrekkingen tot een koning worden omschreven.

 

Het openingskoor beschrijft de regering van God, waarbij opvalt dat alle koren, instrumentaal en vocaal, apart behandeld worden. Dit is een fraaie illustratie van de reikwijdte van Gods bestuur, niet slechts over de kerk gaat Hij, of alleen over de kerkelijke activiteiten, maar over de hele aarde, ook over het stadsbestuur van Mühlhausen. Er zijn immers geen overheden dan van God. Bovendien kunnen we hierin een persoonlijke belijdenis van Bach zien, die over het stadsbestuur heen verder kijkt en zich bewust is van Gods koningsschap over zijn eigen leven. Bach is nog jong als hij dit schrijft, hij is 23 jaar. Maar de heer Strecker, burgemeester van Mühlhausen, is inmiddels 83 en hij is het dan ook die door Bach zingend ten tonele gevoerd wordt in deel 2 met de woorden: Ich bin nun achtzig Jahr. In deze aria klinkt tegelijk een couplet uit het lied 'O Gott, du frommer Gott’. De woorden van de burgemeester zijn nogal bescheiden en hij is bepaald niet ambitieus te noemen. Toch lijkt Bach te willen benadrukken dat juist deze oude man een zeer geschikte burgemeester is met veel levenservaring.

 

Dan volgt in deel 3 een bemoediging door het koor met de woorden van Abimelech ‘dein Alter sei wie deine Jugend und Gott ist mit dir in allem das du tust’. Bach gebruikt hiervoor een zeer levendige fuga, te zingen door de 4 solozangers, waarmee opnieuw de bekwaamheid van Herr Strecker benadrukt wordt. 

 

Deel 4, gezongen door de bassolist, bespreekt hoe onze houding zou moeten zijn t.o.v. Gods bestuur: hij erkent hier met de woorden uit psalm 74 dat het God is die de grenzen vaststelt, of dat nu in de natuur is of in het landsbestuur.

 

Het geloof in Gods almacht en de gunstige uitwerking daarvan wordt verder beleden in deel 5: ‘Durch mächtige Kraft’. Trompetten en pauken onderstrepen de kracht en de koninklijke waardigheid die verbonden zijn met Gods regering.

 

En dan komt het volk aan het woord in deel 6, dat met een tekst uit Psalm 74 zijn vertrouwen uitspreekt in Gods bescherming. De kwetsbare duif staat hier model voor het volk, dat in deze psalm overdenkt dat het onderdrukt wordt door de vijand, terwijl de tempel verwoest is. Het is geen toeval dat juist in moeilijke omstandigheden zulke geloofsuitspraken worden gedaan. Bach heeft het belang hiervan goed aangevoeld en een intense muzikale omlijsting van de tekst gecomponeerd, waarmee de gevoelens uit Psalm 74 treffend worden onderstreept.

 

De cantate eindigt met een uitbundige gelukwens aan de nieuwe gemeenteraad, das neue Regiment, en ook aan het hoogste gezag: Keizer Joseph I (1678-1711).

 

 

Deze cantate is in diverse opzichten bijzonder. Het is één van de eerste cantates van de 23-jarige Bach, ze is niet bestemd voor een kerkdienst en het is de enige cantate die tijdens zijn leven, nl. direct na de uitvoering in druk wordt uitgegeven, op kosten van de gemeenteraad van Mühlhausen. De indruk die de jonge Bach er mee maakt is zo groot, dat de raad voor het volgende jaar ook een cantate laat componeren, waarvan helaas ieder spoor ontbreekt.

 

Dat deze cantate ‘anders’ is valt bij eerste beluistering direct op. Ik noem hem als ik hem voor het eerst hoor ‘opera-achtig, vol van contrasten, verhalend, on-kerks’. En voor Bach’s doen zijn de onderdelen nogal kort. Een openingskoor van 1.50 minuten, waar tref je dat verder aan? Dit is eigenlijk niet te vergelijken met wat hij later zal gaan doen. Maarten 't Hart noemt het duivenkoor (het voorlaatste deel is dat) een geweldig werk, hoe Bach zich later ook ontwikkelt, iets dergelijks heeft hij nooit meer gemaakt. 

 

 

Bovenstaand artikel is, de aandachti-ge lezer heeft het misschien gemerkt, niet van mijn hand want ik heb toch iets minder affiniteit met deze cantate. Daarom deze bespreking door Henk van Zonneveld

 

 

Lobe den Herrn meine Seele BWV 143


We horen nogal lompe en boerse hoorns als de Leonhardt-uitvoering van BWV 143 de huiskamer binnenvalt. En pauken daarbij. Erg ongebruikelijk allemaal en daarom wel erg apart. Maar liefst 7 deeltjes horen we in slechts 13 minuten en het is van een verrassende simpelheid allemaal. Is dit Bach? We hebben gemengde gevoelens over deze cantate. 

 

Er zijn lang twijfels geweest over de authenticiteit van BWV 143 en die zijn er nog steeds. Er is, zo lees ik ergens, een ‘gebrek aan verfijning’ en ergens anders wordt het werk ‘onpretentieus’ genoemd. Als deze cantate van Bach is dan zou het om een heel vroeg werk moeten gaan, uit zijn jaren als organist in Mühlhausen (1707 - 1708), of anders uit de vroege jaren in Weimar (1708 - 1714). En wat een wonderlijke bezetting met die drie corni da caccia (jachthoorns zijn dat) en dan die pauken en dat alles bij een strijkorkest met fagot. Deze bezetting, het komt verder bij Bach nergens voor. Het is wel een cantate waarin een recitatief voorkomt, maar dat gebruikt hij nu juist nergens in die vroege cantates. Vraagtekens, er zijn er vele.

 

De tekst is gebaseerd op psalm 146 en op een koraal van Jacob Ebert ‘Du Friedefurst, Herr Jesu Christ’. Het openingskoor is afgeleid van het begin van de psalm. Vervolgens horen we een arrangement van het koraal waar de cantate zijn naam aan dankt door de sopraan met soloviool en continuobegeleiding. Een kort secco recitatief leidt naar de tenor-aria in een vrije toonzetting. Vervolgens is daar de bas-aria die dan weer wel associaties met Bach oproept; het doet denken aan het openingskoor van BWV 71 ‘Gott ist mein König’ zowel door de tekst als door de drieklanksmotieven en ook door de orkestratie met de drie hoorns en pauken. Ook zo’n vroege cantate trouwens. De tweede tenor-aria vervolgens is wellicht nog het meest charmante onderdeel van deze muziek. Continuo en fagot zijn hier in een vrijwel onafgebroken duet verwikkeld en vormen zo een mooi decor voor de tenorsolist. Op de achtergrond zetten strijkers plus orgel de melodie in van het koraal ‘Du Friedefürst, Herr Jesu Christ’. Datzelfde koraal vormt tenslotte een cantus firmus boven het van zeer vele versieringen voorziene slotkoor ‘Halleluja’.

 

 

En wat vinden we van de verschillende cd-opnames? De Rilling-uitvoering leidt uiteindelijk tot meer positieve berichten ('wél leuk') maar een versie die ik later aanschaf, Rotsch is hier de dirigent, dat is de mooiste. De cantate moet het hebben van de ruimtelijk opgenomen massaliteit die we bij deze opname horen. Een prachtige ‘ouderwetse’ tenor doet de rest. Maar, als ooit deze cantate van de BWV-lijst geschrapt wordt dan zijn wij - Bach luisteraars - niet verbaasd. Toch?

 


Geistliches Konzert - Aanduiding voor een groot deel van de korte geestelijke muziekstukken uit de 17e eeuw. Meer uitgekristalliseerde vormen zoals de cantate bevinden zich in deze tijd nog in de ontstaansfase. De stilistische wortels van het Geistliches Konzert liggen enerzijds in de monodie, anderzijds in de traditioneel uitgevoerde motetten. Tot de componisten van dit soort werken behoren Heinrich Schütz, Samuel Scheidt en Dietrich Buxtehude.

 

Da Capo - Een muziekterm afkomstig uit het Italiaans en het betekent vanaf het begin. Da Capo of afgekort D.C. wordt doorgaans boven de laatste maat geschreven. De speler wordt dan verondersteld alles vanaf het begin nog een keer te spelen.

 

Obligaat (Ital.,: obligato) - Een instrumentale stem in een muziekstuk die essentieel tot de compositie behoort, dus niet weggelaten kan worden zonder dat men daardoor afbreuk doet aan het karakter van de compositie, bijv. aria's van Bach met obligaat viool, fluit of hobo. 


Op deze pagina cantates geschreven voor speciale gelegen-heden zoals daar zijn een huwelijk, de inwijding van de gemeenteraad, een begrafenis, de herdenking van een grote brand. De oplettende Bach-liefhebber ziet dat er één cantate ontbreekt en dat is cantate 4. Dat is dan ook de enige bewaard gebleven cantate uit deze periode die bedoeld was voor een kerkdienst. U vindt hem hier.